Westerbork.

Toen Hitler de verkiezingen won in Duitsland, en Hindenburg opvolgde als Rijkskanselier van Duitsland, werden de leefomstandigheden voor Duitse joden alsmaar slechter in een Duitsland, wat zich toch al in een economische crisis bevond, evenals de rest van de wereld.                      Door steeds meer onderdrukkende en vernederende wetten vooral voor joden, ontvluchten steeds meer Duitse joden naar gebieden buiten Duitsland waar zij dachten welkom te zijn. Het was voor hen gemakkelijk uit te wijken naar Nederland, omdat de enige eis om toegelaten te worden, zij over voldoende middelen van bestaan en over geldige papieren moesten beschikken volgens een wet uit 1849.                                       De Nederlandse regering was overigens bang, gezien de verontruste ontwikkeling in Duitsland, dat zij al op 16 mei 1934 een nieuwe wet aannamen, waarin werkvergunningen aan immigranten aan een vergunningenstelsel was verbonden, en op 30 mei 1934 deelde de Nederlandse regering mede, dat vluchtelingen met de Duitse nationaliteit zoveel als mogelijk geweerd dienden te worden.

Ondanks deze maatregelen, waren er tussen 1933-1938 ca. 25.000 Duitse joodse vluchtelingen Nederland binnen gekomen, en na de aansluiting van Oostenrijk bij Duitsland op  13 maart 1938, probeerden nog meer joodse vluchtelingen Nederland binnen te komen. Overigens waren de meeste vluchtelingen van plan, om Nederland op een zo kort mogelijke termijn weer te verlaten, op doorreis naar een definitieve bestemming.

Op 7 mei 1938 werd door de regering bepaald, dat er geen enkele vluchteling meer binnen mocht komen. Maar toen de Kristalnacht in Duitsland had plaatsgevonden in de nacht van 9-10 november 1938, probeerden ca. 40.000 joden een inreis vergunning te verkrijgen, wat uiteindelijk voor ca. 7.000 joden, en op een later moment nog eens 2.000 joden toch nog werd verleent op humanitaire gronden. De vluchtelingen werden opgevangen in vele verschillende opvangkampen en opvangtehuizen, sommigen in werkdorpen, zoals Wieringermeer en Nieuwe sluis.

Maar dat was uiteindelijk een onhoudbare toestand. Deze vluchtelingenhulp, werd hoofdzakelijk georganiseerd en betaald uit het Comité voor Joodse Vluchtelingen, een organisatie bestaande uit verschillende joodse organisaties, die gezamenlijk probeerden een oplossing te zoeken.

In februari 1939 besloot de toenmalige regering onder Colijn, om alle joodse vluchtelingen onder te brengen in een groot opvangkamp.

Als plaats van vestiging werd een stuk Veluwe aangewezen nabij Elspeet, reden was dat het redelijk ver van de bewoonde wereld was, zodat vluchtelingen minder snel zouden integreren. Protesten waren er natuurlijk ook, omwonenden protesteerden, en ook de ANWB liet zich niet onbetuigd, zij waren bang voor de aantasting van het natuurschoon op de Veluwe. Al deze protesten hadden niet geholpen, als er niet een brief was binnengekomen van de secretaris van koningin Wilhelmina, zij deelde mede aan het ministerie van Binnenlandse Zaken, dat zij het betreurde dat de plek zo dicht bij haar zomerverblijf gelegen was, notabene 12 km van paleis het Loo verwijderd.

Toen deze locatie dus afviel, moest gekeken worden naar een nieuw terrein, en die werd gevonden op de toen nog immense heidevelden in Drenthe in de buurt van het plaatsje Westerbork.

Een lid van de tweede kamer die in 1938 de plek bezocht, vond het een barre troosteloze vlakte, een der meest deprimerende stukken land wat in Nederland te vinden was. Inwoners van Westerbork waren ook niet enthousiast, maar dachten door de vele nieuwe bewoners daar financieel een graantje mee te kunnen pikken. Ook de joodse gemeenschap was niet bijzonder te spreken, zonder inspraak en opdraaiende voor de kosten van ca. 1.2 miljoen gulden.

Zij stelden als eis, dat jonge kinderen en ouderen hier niet mochten worden ondergebracht, maar meer voor jonge en vitale joden die in staat waren om de grond te bewerken met als doel om de woeste heidegronden in cultuur te brengen, en daar land en tuinbouw te bedrijven in afwachting  en als voorbereiding op hun eventueel vertrek naar Palestina.

Arbeiders uit de werkverschaffing begonnen in de zomer van 1939 met de bouw van de woonbarakken voor het kamp, en al  op 9 oktober 1939 arriveerden de eerste Duitse joodse vluchtelingen het kamp. Volgens de toenmalige kampdirecteur was het er uitstekend, alles was uitstekend voor elkaar, barakken waren ingericht, soep stond klaar, prima bedden en prachtige dekens. Maar de nieuwe bewoners waren minder positief. In de winter had de wind vrij spel, was het enorm koud, s ’zomers bloedheet, was het vergeven van de vliegen en waren er zandstormen, en de centrale keuken lag zo ver weg, dat men moeite had het eten een beetje warm bij de barakken te krijgen.

Buiten dat moesten ze allemaal hard werken om de heidegrond te ontginnen, zodat de bewoners in staat zouden zijn om in hun eigen voedselvoorziening te voorzien. Ondanks alle beloften waren de barakken sober of soms nog niet ingericht, en waren ze  enkel  centraal verwarmd. Over scholing, ontspanning en een synagoge zoals beloofd, nog maar niet te spreken.

Tot eind april 1940 was het kamp dan ook niet erg dicht bevolkt, er bevonden zich 749 personen in het kamp, en daar waren ook kinderen en ouden van dagen bij, die eigenlijk elders ondergebracht hadden moeten worden.

Maar dan valt Nazi Duitsland op 10 mei 1940 Nederland, België en Luxemburg binnen, en dan treed het evacuatieplan wat Westerbork opgesteld had in werking. De bedoeling was het om via Zeeland naar Engeland te vluchten. Maar men moet eerst naar het station Hooghalen lopen, vervolgens moet er een trein ter beschikking zijn voor vervoer, die komt er ook wel, en men vertrekt richting Zwolle, maar verder dan station Zwolle komt men niet, de IJsselbrug over de IJssel was opgeblazen, dan maar weer terug nu richting afsluitdijk via Leeuwarden, maar ook hier kan men niet verder. Na eerst een tijdje te zijn opgevangen bij gezinnen in Leeuwarden, blijkt die toestand onhoudbaar, en besluiten de autoriteiten iedereen maar weer terug te sturen naar Westerbork. Op 15 mei 1940 gaf Nederland zich over, en veranderde er ook iets in Westerbork.

Dat viel nu onder het ministerie van Justitie, en de directeur Syswerda werd vervangen door de reserve kapitein J. Schol, die de touwtjes strak aanhaalde. Was men eerst nog vrij om te gaan en staan, vanaf nu had men toestemming nodig om het kamp te verlaten, en werd  verplichte arbeid ingevoerd.

Werd eerst de bewaking door enkele veldwachters uitgevoerd, nu waren het 15 marechaussees, Schol werd dan ondersteund door een ondercommandant, een boekhouder en 30 andere medewerkers. Het was op militaire leest geschoeid, met 2 maal daags appel, regelmatige controle in de barakken, en of de bedden wel waren opgemaakt, briefcensuur werd toegepast, dichtgeplakte brieven werden geweigerd, en zelfs gesprekken tijdens de werkzaamheden werden verboden, en dat terwijl de Duitsers zich nog niet of nauwelijks met Westerbork hadden bemoeid.

De strenge winter van 1941-42 was door brandstof en voedseltekort, verre van aangenaam, en vanaf februari werd er in opdracht van de Duitse bezetter druk gebouwd door Nederlandse aannemers die gebruik maakten van de dan joodse bewoners. 24 nieuwe barakken werden er bijgebouwd, die plek boden aan 250-300 inwoners. Er waren toen nog maar ca. 1.100 bewoners, en het maximum van 1.800 was nog niet bereikt, en toch vroegen de bewoners zich niet af, waarvoor de uitbreiding  nodig was voor tussen 6.000-7.200 bewoners.

In januari 1941 moesten zich alle in Nederland zich bevindende joden zich laten registreren, onder het mom, om later eventuele emigratie te kunnen bespoedigen.

Er bevonden zich ca. 160.000 joden in Nederland, waarvan ca. 137.000 met de Nederlandse nationaliteit. 157.000 joden werden geregistreerd door de Zentralstelle für jüdische Auswanderung, het centrale bureau voor joodse emigratie, waaronder ook half en kwart joden, met resp. twee of een joodse grootouder.

Deze gegevens werden uiteindelijk gebruikt voor de oproep en vertrek vanuit Westerbork en deportatie naar de concentratiekampen, maar dat wist men toen nog niet. Maar er kwamen wel steeds meer maatregelen, die het de joden steeds onaangenamer maakten. Vanaf 1 juli 1940 mochten joden geen deel meer uitmaken van de luchtbescherming. Met ingang van 5 augustus 1940 was ritueel slachten verboden. Ambtenaren moesten  op 5 oktober 1940 een ariërverklaring tekenen, daarop volgend werden alle joden in overheidsdienst ontslagen omdat zij zo’n verklaring niet konden overleggen. Op 7 januari 1941 mochten zij geen bioscopen meer bezoeken, vanaf 31 mei 1942 geen zwembaden en openbare parken meer bezoeken, en vanaf 1 september 1941 moesten joodse kinderen naar aparte scholen. In Amsterdam werden de joden samen gebracht tussen 1941-1943 in de zogenaamde jodenbuurt.

Op 13 februari werd de Joodse Raad opgericht onder leiding van David Cohen en Abraham Asscher, zei werden door de Duitsers misleid en misbruikt, om de vervolging van hun lotgenoten te coördineren, wat uiteindelijk de vernietiging van de Nederlandse joden  betekende.                In Berlijn vond de Wannsee conferentie plaats op 20 januari 1942, en daar werd besloten om alle Europese joden uit te roeien, en werden daarvoor in dun bevolkte gebieden in o.a. Polen speciale vernietigingskampen gebouwd. Voor Nederland werd daar een aantal van 160.000 joden genoemd, die geregistreerd stonden met behulp van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung.

Maar al voordat de Wannsee conferentie plaatsvond, was er al sprake van uitroeiing van joden. Sinds de operatie Barbarossa, de inval in de Sovjet Unie was er al sprake van vernietiging en uitroeiing door de Einsatzgruppen.

En ook was al in de zomer van 1941 in het geheim besloten, om alle joden in Nederland via Westerbork naar werkkampen in het oosten te vervoeren, in werkelijkheid werden dat hoofdzakelijk de vernietigingskampen in Polen. De leiding van Westerbork ging over in Duitse handen op 1 juni 1942 werd Schutzstaffel  (SS) verantwoordelijk, en kwam achtereenvolgens in handen van Dr. Wilhelm Harster, Erich Neumann, Karl Eberhard Schöngard, die weer verantwoording moesten afleggen aan Hanns Albin Rauter Generalkommissar für das Sicherheitswesen en  Höhere SS- und Polizeiführer.

Westerbork was dan nu ook geen officieel opvangkamp meer, maar het Polizeiliches Juden Durchgangslager Westerbork.                    Commandant Schol was nog wel in functie tot december 1942, maar zijn invloed was minimaal geworden, omdat er ook een Duitse commandant was aangesteld, SS-Sturmbahnführer Dr. Erich Deppner, die vervangen werd door  SS- Obersturmführer Josef Hugo Dischner, en hij op zijn beurt door Inspecteur Bohrmann, en tot slot kwam SS-Obersturmführer Albert Konrad Gemmeker op 12 oktober 1942 tot 11 april 1945 toen hij Westerbork achter zich liet.

Een beleefde man, die nooit schreeuwde of gevangenen uitschold, maar wel zeer gevaarlijk, dat in tegenstelling tot Frau Elisabeth Helena Hassel-Mullender, secretaresse in Westerbork, en net gescheiden, van Gemmekers beste vriend de SS Untersturmführer Hassel,  met wiens vrouw Albert Gemmeker dus een verhouding had, ondanks dat hij zelf gehuwd was. Zij schold, maar mishandelde zelf niet, omdat Gemmeker het haar had verboden, maar regelde wel opsluiting in de strafcel, als haar iets niet aanstond.

Na de oorlog werd zij aangehouden, om in een strafproces tegen Gemmeker te getuigen. Gemmeker kreeg de belachelijk lage straf van 10 jaar, en Frau Hassel kon als vrije vrouw terugkeren naar Dusseldorf. Ook Gemmeker keerde terug naar Dusseldorf na het uitzitten van zijn straf in 1951.

Zij hebben nadien geen contact meer met elkaar gehad, alhoewel dat moeilijk te bewijzen valt, wel waren zij beiden bij een en dezelfde huisarts ingeschreven, en ironisch genoeg de Joodse huisarts Fritz Marcus Spanier. Deze Dr. Fritz Marcus Spanier was voor de oorlog ook al huisarts van Frau Hassel en Gemmeker in Düsseldorf, en in de oorlog was hij arts in Westerbork, mede daardoor is hij mogelijk ontkomen aan deportatie. Bekend is dat meerdere gevangenen door Frau Hassel op de transportlijsten zijn gezet.

Vanaf 23 januari 1942 werd een J in de persoonsbewijzen gezet, vanaf 2 mei 1942 moest iedere jood een gele Davidster op zijn kleding dragen, dit om de herkenbaarheid van joden te vergroten, en daarmede hun pakkans.

Dit was nodig, omdat vanaf 26 juni aangekondigd, en al op 4 juli de eerste oproepen de deur uitgingen, en in de nacht van 14-15 juli werden de eerste twee treinen met joden van Amsterdam naar Westerbork, onder het mom van Arbeitseinsatz in Duitsland.

Om druk uit te oefenen, was een razzia uitgevoerd, waarbij 700 joden waren daarbij opgepakt, en die zouden naar Mauthausen weggevoerd worden als dreigement, als men zich bij een volgende oproep niet zou melden. Ondanks dit dreigement kwam bij een volgende oproep maar 2/3 zich melden op het station.

Dit viel niet goed bij de Duitsers, en zij organiseerden een 2e razzia op 6 augustus 1942, pakten daarbij ca. 1.600 joden op en stuurden daarvan ca. 700 naar Westerbork. Hierbij was de toon duidelijk gezet, en de Joodse Raad had geen invloed op die deportaties, enkel konden zij invloed uitoefenen voor die personen die node gemist konden worden, maar dat was uiteindelijk ook maar uitstel. In de loop van 1942-1943 werden overal in Nederland razzia’s gehouden, om joden op te pakken en af te voeren. En Nederland, keek toe.

Enkel de Februaristaking op 25 en 26 februari 1941 die in Amsterdam begon, en zich uitbreidde tot de omgeving zoals Haarlem, Velsen, Zaanstreek, Hilversum en Utrecht, was een protest tegen de Nazi’s, en speciaal tegen de onderdrukking en vervolging van de joden. Het was voor Nederland het enige massale grote en openbaar protest, sterker nog het enige van zijn soort in Europa.

Met meedogenloos geweld, werd de staking gebroken door de Duitsers, daarbij kwamen negen personen om het leven en vielen er 24 zwaargewonden te betreuren, en werden velen opgepakt en gevangen gezet. Ook kregen de steden die aan die staking en demonstraties hadden meegedaan hoge geldboetes opgelegd. Na twee dagen was het voorbij, en niet enkel door Duits ingrijpen, omdat het de communistische partij was die die staking organiseerden, en in hun reglementen stond, dat een staking niet langer dan twee dagen mocht duren. Wel werd er nadien jacht gemaakt op leden van de communistische partij door de nazi’s.

Het standbeeld van de Dokwerker in Amsterdam herinnert aan die gebeurtenis.

Westerbork was inmiddels uitgebreid tot 107 barakken, elk bedoeld voor 300 personen elk, en toch was het daarmee overvol, de hygiënische omstandigheden waren slecht, en het eten was onvoldoende, en enige privacy was er niet. De discipline was overdreven streng, bij de minste overtreding zat je zomaar in een strafbarak en moest je zwaar werk verrichten, en had je eerder kans om gedeporteerd te worden.

Mannen werden daarbij kaalgeknipt en kregen speciale werkkleding om de herkenbaarheid te vergroten. Ook joden die waren ondergedoken en gepakt, kwamen rechtstreeks in de strafbarak. En ook de censuur op uit en inkomende post was streng.

Wel kon men met het in het kamp verdiende geld, spullen kopen in het Lagerwarenhuis (LaWa), en in de Lagerkantine kon met hetzelfde speciale Westerborkgeld iets kopen. Gewoon geld was verboden, en moest omgewisseld worden voor Westerborkgeld, zo kregen de nazi’s ook joods geld in handen, om het voor eigen doeleinden te gebruiken.

Kinderen in Westerbork werden redelijk behandeld, ze werden opgevangen in een crèche, of gingen naar de kleuterschool, en de ouderen tussen 6-14 jaar kregen onderwijs op de kampschool. Zelfs kregen ze een rapport, ook al werden ze soms enkele dagen later op transport gesteld, weliswaar in het Duits. Ook de leerkrachten ontkwamen niet aan deportatie, zodat er wel eens lessen uitvielen omdat er geen bevoegde leerkrachten voorhanden waren.

De medische zorg was uitstekend, men beschikte op gegeven moment over 120 artsen, ruim 1.000 verplegend personeel en 1.725 ziekenhuisbedden, en dat onder leiding van de joodse arts Frits Marcus Spanier, maar dat was toch niet toereikend, materiaal ontbrak, borden en bestek ontbraken, het eten was onvoldoende en warm water was er ook niet, ook lakens en dekens waren er onvoldoende. En al waren er voldoende doctoren en verplegers joods personeel, als de meest elementaire voorzieningen ontbreken, komen de eerste sterfgevallen snel.          In Westerbork stierven 751 mensen, relatief een klein aantal, als men de cijfers in andere concentratiekampen in ogenschouw neemt.       Enerzijds het “humaner beleid” maar ook de gemiddelde verblijfsduur was van korte duur.

Binnen Westerbork, waren de joden zoals in andere kampen ook gebruikelijk, meestal zelf verantwoordelijk voor de organisatie, Lagerinsassen van de O.D. hadden de leiding, meestal joden uit Duitsland en of Oostenrijk omdat zij de Duitse taal beheersten en vaak al lang in Westerbork verbleven, bezaten ook vaak de beste baantjes. Zij werden spottend de adel van Westerbork genoemd, Kurt Schlesinger stond aan het hoofd, en werd spottend de burgemeester van Westerbork genoemd. Feit was, dat Albert Gemmeker uiterst tevreden was met de wijze waarop Schlesinger zijn bevelen opvolgde en organiseerde. Geliefd waren zij over het algemeen niet bij de joodse medegevangenen, omdat zij de bevelen gaven en zelf meestal buiten schot bleven, en hun omstandigheden beduidend veel beter waren.

In Westerbork waren vele afdelingen of Dienstbereiche, zo waren er zes afdelingen in Westerbork.

Dienstbereiche D.B.III was de Ordnungsdienst, O.D. genaamd. Deze O.D.ers waren zoals gezegd niet geliefd, werden niet alleen in Westerbork ingezet, maar zijn bijv. ook ingezet bij de ontruiming van het Apeldoornse Bosch op 21 januari 1943, en bij enkele grote razzia’s in Amsterdam. Voor die Amsterdammers was het een hele schok, gepakt te worden door geloofsgenoten, en er is jaren overheen gegaan voor hen om daar enigszins begrip voor op te kunnen brengen. Zij hadden immers enkel de keus, om mee te werken, of op transport gezet te worden.                  Deze opdracht was een van de meest gruwelijke wreedheden van de SS’ers.

Binnen Westerbork werd er ook veel aan amusement en sport gedaan, dat was ook nodig om de mensen een beetje afleiding te bezorgen. Voetbal en boksen waren populair, andere sporten waren handbal, atletiek en schaken. Een kamporkest was er ook, en ondanks dat er geen muziek van joodse componisten ten gehore gebracht mocht worden in opdracht van nazi Duitsland, had Gemmeker daar geen bezwaar tegen, integendeel hij genoot daarvan. Hij zat dan ook altijd op de eerste rij, maar applaudisseerde nooit voor joodse artiesten, maar zijn gezicht sprak boekdelen. Deze bonte avonden waren altijd op de Dinsdagavond, de dag dat de treinen naar de vernietigingskampen onderweg waren.

Vele joden kregen uitstel, maar zeer weinigen afstel van deportatie naar de concentratie of vernietigingskampen. 93 grote transporten vertrokken naar het oosten, ook enkele kleinere transporten. Gemmeker kreeg dan wel de opdracht om die transporten te organiseren, maar liet het invullen van de namen over aan zijn handlangers in hoofdzaak aan Kurt Schlesinger  en zijn medewerkers. Het vervoer was erbarmelijk, 2 tonnetjes stonden er in de wagon, een voor drinkwater en een voor toiletgebruik, plaats om te zitten of te liggen was er niet of nauwelijks, de bodem was spaarzaam bedekt met wat stro, en dat was het.

Vluchten was onmogelijk, de deuren waren afgesloten, en een raampje met tralies voorzien, en de bewaking werd verzorgd door de Grüne Polizei, die hun vingers erg los hadden zitten. En van buiten hoefde men ook niets te verwachten, nimmer is door het verzet een poging ondernomen om een trein met joden te saboteren. En ook al zijn door geallieerden wel spoorlijnen gebombardeerd, nooit zo dichtbij Westerbork dat transporten niet konden plaatsvinden.

Het laatste transport vanuit Westerbork op 13 september 1944 was naar Sobibor, daarna waren er nog enkele honderden joden in het kamp, tot aan de bevrijding werden nog enkele tientallen joden naar Westerbork gebracht, meest ondergedoken en opgepakte joden.

Ook de kampleiding bleef nog in Westerbork, maar toen de geallieerden steeds dichterbij kwamen, vertrok Albert Gemmeker op 11 april 1945, en droeg de leiding over aan Kurt Schlesinger, die op zijn beurt het overdroeg aan Aad van As een Nederlands burger, werkzaam in Westerbork.

Op 12 april 1945 stonden de Canadezen aan de poort, en zonder slag of stoot werd Westerbork bevrijd, niet zo verwonderlijk, alle Duitsers waren verdwenen. Er waren nog ca. 500 joden in Westerbork, en ca. 370 opgepakte onderduikers, en onder de gehesen Nederlandse driekleur en het zingen van het Wilhelmus, waren dat de mooiste herinneringen van de aanwezigen.

In de zomer van 1945 was Westerbork geheel leeg van joden, men moest voor velen onderdak regelen omdat zij vaak niets meer bezaten dan dat wat zij aanhadden en in hun koffertje zat, terwijl hun huizen vaak door anderen bezet waren.

Daarna heeft Westerbork nog dienst gedaan als interneringskamp voor N.S.B. ers tot aan 1948, waarbij zij voor de rechter stonden of gratie verkregen. Dan heeft het nog korte tijd dienst gedaan voor het Nederlandse leger, en daarna als opvang voor Indische Nederlanders die in de problemen kwamen na de onafhankelijkheid van Indonesië onder de naam “Schattenberg”. Vanaf 1951 arriveerden er de K.N.I.L. militairen, veelal afkomstig van de Zuid-Molukken, die ook niet meer welkom waren in Indonesië.

Plannen om Westerbork tot monument te maken, hadden aanvankelijk geen succes, de overgebleven joodse gemeenschap had er geen behoefte aan, en hadden ook wel iets anders aan hun hoofd. Maar de jongere generatie na hun, hadden meer behoefte om hun voorouders te gedenken, en zo kon het gebeuren dat de toenmalige koningin Juliana in 1970 het Nationaal Monument Westerbork onthulde. Nadien is er veel werk verzet, om te komen tot het herinnering’s en informatiecentrum zoals het er nu staat, en waar in het recordjaar 2005 120.000 bezoekers Westerbork bezochten.

Colofoon:       GO2war2.nl

Drittes Reich-Atlas Verlag

Wikipedia.nl

Diverse internetsites

Anton Heijmerikx.

2 reacties

  1. Fritz Marcus Spanier was voor de oorlog huisarts in Berlijn, niet in Düsseldorf. Hij is in mei 1939 vanuit Berlijn naar Hamburg gereden om met zijn familie (vrouw en tweeling Inez en Renate) aan bord van de Saint-Louis naar Amerika te emigreren, wat zoals bekend niet lukte.
    In Düsseldorf stad heeft hij wel medicijnen gestudeerd en heeft zijn vrouw Babette daar in 1938 getrouwd.
    Nadat Westerbork bevrijd werd door de Canadezen, heeft hij ook voor hun gewonden gezorgd. Hij keerde naar Düsseldorf terug na een periode als arts in het Britse ziekenhuis van het Displaced Persons kamp bij Bergen-Belsen.
    Waar vandaan de informatie afkomstig dat hij in Düsseldorf voor de oorlog huisarts was van Frau Hassel zou mij wel interesseren. Uit welke bron ??

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.