heijmerikx.nl

Information

This article was written on 21 jul 2013, and is filled under Genealogie.

Op de Weegh, van der Weegh, oftewel Teuten:

Op de Weegh, van der Weegh, oftewel Teuten:

De bank van Pelt, een economisch en juridisch gebied in het voormalige Hertogdom Brabant, tegenwoordig in de Belgische Kempen, die o.a. de dorpen Klein en Groot Brogel, Kaulille, Neerpelt en Overpelt omvatten.

Een dun bevolkt en arm gebied bestaande uit heide en arme zandgronden, waar de plaatselijke bevolking moeizaam een karig bestaan vond, en waar door vererving de boerenbedrijven klein waren, en op een gegeven moment er geen deling meer kon plaats vinden, omdat dan het bestaan ern­stig bedreigd werd, en er ook geen nieuwe gronden door ontginning meer vrij kwamen, domweg omdat het op was.

Dat hield in, dat de oudste zoon meestal op de boerderij kwam, en de rest van de familie elders een bestaan moest opbouwen, terwijl men wel erg streekge­bonden was.

Dit noodgedwongen zoeken van andere bestaansmogelijkheden, zoals in de handel, betekende, dat men wegtrok uit de streek, en dat al sinds de 16e eeuw rond 1550 tot in de 20e eeuw toe, ca. 1914. Het uitbreken van de 1e wereldoorlog zal het eind van die specifieke handel bespoedigd hebben. Hoofdzakelijk naar Duits­land, en in mindere mate naar Nederland. Die handel stond bekend onder de naam Teutenhandel, uitgevoerd door Teuten.

Ook de aangrenzende gebieden van de Kempen brachten de handela­ren voort, met de naam Teuten. Buiten de genoemde Bank van Pelt, zijn ook bijv. Lommel en Luykgestel bekende Teutendorpen.

Alvorens de Teuten met hun handel in opgang kwamen, was er een andere manier om brood te verdienen, het vervoeren van goederen en vrachten vanuit de haven van Antwerpen naar alle windstre­ken, maar vooral Duitse windstreken. Deze voerlui kwamen uit de gebieden van de latere Teutenhandel. Van de 1382 voerlieden tussen 1488-1556, waarvan de herkomst te achterhalen was, kwamen er uit de Kempen en Brabant 559, en uit de latere specifieke Teutendorpen 131, bijna 10% dus. Die voerlui en de latere Teuten, waren de bovenlaag van de bevolking, en werden daardoor vaak tot burgemeester benoemd, of hadden andere belangrijke functies en waren vaak in goeden doen. Voerlui reisden evenals de latere Teuten in groepsverband, met het oog op veiligheid. Soms bestond een transport van voerlui uit wel 100 karren. Transport was in die dagen kostbaar, 100 pond goederen van Antwerpen naar Venetië kostte 7,5 pond, evenveel als de huishuur van 1 jaar in Antwerpen in de 16e eeuw. Het vrachtvervoer valt stil rond 1572-1576, met als oorzaak de sluiting van de Schelde door de Spanjaarden, en de vele bero­vingen van de voerlieden en of kooplieden. Ook door oorlogshan­delingen en daardoor teloorgang van handel en nijverheid, alsmede  de landbouw, komt er een eind aan de welvaart in die periode.

Tijdens die ellendige periode zullen ongetwijfeld oud voerlieden zijn overgestapt op de ambulante handel. Zij zijn daarin ongetwijfeld geslaagd, omdat zij als geen ander handels­ervaring hadden, zij kenden de waren voor de kwaliteit, wisten de afkomst voor de inkoop, en wisten de vraag voor hun afzet. Ook door hun talenkennis, het eerder reizen in groepsverband alsmede de ongeschreven wetten en gedragsregels, alsmede de route’s, de tollen en weggelden, vreemde maten en gewichten, vreemd geld, en de eigen taal die zij zich hadden eigengemaakt, gaven hun een voorsprong op ieder ander die hetzelfde wilde proberen. Tot slot, waren zij gewend om lang van huis en haard te zijn.

Maar omdat zij toch erg streekgebonden waren, keerden zij regelmatig terug, meest­al half december, om dan half februari weer te vertrekken tot omstreeks half december. De energiekste onder de Teuten met zakelijke inzichten organiseerden uitermate efficiënt werkende gesloten compagnieën.

Zij probeerden de kost te verdienen als veehandelaren, laken­verkopers, dierenlubbers, ketelboeren, koperslagers of mars­kramers, zij deden dat meestal in groepsverband tussen 2 tot 12 personen, een soort mondeling convenant, en dat alles in goed vertrouwen en overleg, zij noteerden niets, maar de compagnie bestond vaak uit personen met familiebanden, zoals vader, zoon, neef, broer, zwager en of goede bekenden. Dat samen gaan in groepen, was natuurlijk niet onverstandig, omdat zij toch vaak over s’Herenwegen trokken met veel kostbare koopwaar en geld, terwijl de veiligheid op de wegen nogal eens te wensen overliet.

Een van de dingen die zij vaak meevoerden, was een zogenaamde goastok, deze stok had verschillende functies, je kon hem gebruiken als wandelstok, als stok om bagage gemakkelijker te dragen, of als wapen tegen personen met verkeerde bedoelingen. De goastok was van binnen vaak uitgehold en bevatte dan een degen of rapier met eigen handvat, van staal en vaak in Duitsland in Solingen gesmeed. En voor zo’n geducht wapen, ging je graag aan de kant. Als zij vertrokken, kozen zij een plek in het gebied vanwaar zij wilden opereren, en gebruikten dat als magazijn en verza­mel­plaats, legden daar een voorraad aan als dat moest, en gebruikten dat als uitvalsbasis. Na een afgesproken tijd, verzamelden zij zich op die plek en stopten hun eventuele winsten en verdiensten in een gezamenlijke pot en verdeelden gezamenlijk de opbrengst, als er al eens iemand was, die door pech of bijvoorbeeld ziekte of een andere oorzaak niet of geen waar aan de man had gebracht, deed men daar niet moeilijk over, maar als dat te vaak dezelfde overkwam, dan ging hij de volgen­de reis niet meer mee en werd vervangen.

Deze Teuten hadden zoals eerder gemeld een eigen geheimtaal, zodat zij zichzelf wel maar anderen hun niet konden verstaan. Deze taal is gaande­weg geheel verloren gegaan, zeker toen velen zich hadden opgewerkt tot welgestelde kooplieden. Omdat zij veel met hun geheugen werkten, onthielden in goed vertrouwen en niet veel aan het papier toevertrouwden, zijn bewaarde archieven niet erg ruim gezaaid, ook al omdat veel verloren is gegaan bij vele particu­lieren. Wel zijn er zo hier en daar zakboekjes gevonden, die toch een goed en duidelijk beeld geven van het Teutenbestaan. Vele Teuten hebben hun handel dusdanig zien groeien, dat er grote firma’s uit zijn voortgekomen, in Denemarken bijvoorbeeld een fabriek van koperwerken, waar de Teuten het alleenrecht van koop en verkoop bezaten.

Deze koperteuten kwamen hoofdzakelijk vanuit Luykgestel, zij trokken als leerling vaak mee met een ervaren koperteut. Deze leermeester nam ook een kar vol waren mee, en de leerlingen meestal 5 à 6 personen moesten dan lopend er achteraan. De route ging vanuit Brabant door de Gelderse Achterhoek en via Twente, en in Twente moest de leermeester zijn waren kwijt geraakt zijn, want anders moest hij bij het overschrijden van de grens nabij Nordhorn belasting betalen. Ook was het meer regel dan uitzondering, dat hij met hulp van een plaatselijke smokkelaar illegaal de grens overstak. Dat dit niet zonder geld kon, was hem al een doorn in het oog.

Rondom Oldenzaal, Denekamp en of de Lutte, zullen de Teuten ongetwij­feld de Duitse handelaren zijn tegengekomen, die bekend staan als Tödden, ook wel tiötten of tüötten genoemd. Of er tussen de Belgisch/Nederlandse Teuten, en de Duitse Tödden overeenkomsten zijn, daarover zijn de deskundigen het niet eens, ik kom daar nog op terug..

Ook het Unilever concern bijvoorbeeld, komt oorspronkelijk voort uit de boterhandel van de teuten, van den Bergh en Jurgens.

In officiële geschriften komt de naam Teuten voor het eerst voor in 1668 te Eindhoven in een processtuk tegen Joost Jansen alias de Teut. Ook zijn er placaten uitgevaardigd met maatrege­len tegen Teuten, in Gelderland op 11-3-1679, in 1706 en 1777, waarin handelaren gedwongen waren een vaste woon en werkplek te nemen. Deze maatregel was bedoeld om de inwoners van dorpen en steden te beschermen tegen de rondtrekkende Teuten. Veel hielp dat niet, want vele Teuten kochten gewoon een huis, gingen er wel wonen, maakten daarvan hun magazijn en trokken evengoed in de verre omgeving rond. Weer anderen namen water en vuur, dus gingen in de kost, en trokken van daaruit ook rond.

In het Rijksarchief van Hasselt in België, staat opgeschre­ven, dat een jongeman uit Klein Brögel meeging op reis met een ervaren dierenlubber om het vak te leren, en hij betaalde daarvoor een prijs van tien gulden. Nadien beklaagde hij zich bij de bank van Pelt, dat hij het mes niet had mogen hanteren en dat hij dan wel alles gezien had maar nog niets kon. Het spreekt vanzelf dat de dierenlubbers of dierensnijders (castreerders van paarden, koeien, schapen en varkens) vaak alleen of hooguit met zijn tweeën opereerden, en ook geen uitvalsbasis hadden, zij bedienden zich vaak van een schalmei, een 6 of 7 tal koperen holle buisjes aaneen gesoldeerd met verschillende lengten tussen ca. 3 tot 7 cm. waarover men met een staaf ratelde, en zodoende hun komst aankondigde. De koperteuten herkende men vaak aan het rammelen van de potten en pannen, die zij aan haken rondom hun lichaam met zich meedroegen.

 

Deze reizende handelaren kwamen het meest voort uit 3 verschillende centra’s, Noord Westfalen, het Duitse Nederrijn gebied en de Kempen. Hun handelsgebied was eigenlijk heel Europa, men kon ze tegenkomen van Zweden, Denemarken tot in Hongarije toe. Zij handelden in vele zaken en artikelen, maar de boventoon voerde toch, koper, haar, textiel en in mindere mate boter, marskramers met hun groot assortiment artikelen op hun rug, en de dierenlubbers welke laatste groep eigenlijk een beetje een aparte plaats innamen. Koperen ketels werden veel verhandeld, om stokerijen al dan niet illegaal van ketels te voorzien, ook kochten zij oude versleten koperen ketels op, om zodoende die gehele handel in de hand te hebben. Haar werd opgekocht, om de pruikenhandel van haar te voorzien. Dat haar werd van particulieren gekocht, mensen met lang haar werden aangesproken om het te verkopen. Blond haar haalde men uit Scandinavië, zwart haar uit Hongarijë, Roemenië en de verdere Balkan. Zuiver wit haar werd ook op de Balkan opgekocht, maar werd daar aangevoerd vanuit Iran, maar dat was haar van bokken, specifiek van de sik van de bok. Bekend is o.a. dat Koning Willem I een pruik ophad van wit haar, een bokkenpruik dus, en aangezien hij niet de allervriendelijkste persoon was, was de bokkenpruik op hebben, op hem zeker van toepassing. Teuten waren een aparte groep in de samenleving, maar stonden beslist niet afzijdig van diezelfde samenleving. Ook stonden zij bekend om hun sobere en zuinige levensstijl, alsmede om hun ordentelijk en eerlijk gedrag, en hun werklust. In een bewaard gebleven schrif­telijk contract van een compagnie stond o.a.:

De belofte van het zich niet dronken drinken, geen kaart of kegel te spelen, niet vloeken nog te vechten en andere onbetamelijkheden na te laten.

In 1796 woonde te Overpelt 822 mensen, waarvan er 104 Teuten waren 12.5 %, een relatief groot aantal. Hiervan waren er 64 ketelbuter of koperslager, en 49 ongehuwd. Kramers waren er 23 waarvan 15 ongehuwd en aan snijders of dierenlubbers 17 waarvan 13 ongehuwd. Wel betekend dat gegeven, dat de vrouwen veelal samen met de oudere inwoners en de kinderen het vele werk thuis en op het land moesten verrichten, vooral in de zomermaanden, als hun wederhelft op pad was, en ook de opvoeding van de kinderen kwam voor hun rekening.

Over deze reizende handwerkslieden of handelaren, de teu­ten,  zijn verschillende publicaties verschenen van de hand van J.Mertens, verbonden aan het Rijksarchief van Hasselt in België, in het ” Jaarboek 1984 Het Oude Land van Loon”, Kempens kra­mersvolk in Nederlandse en Rijnlandse gewesten in de 17e eeuw (1985), en over de 18 en 19e eeuw (1995).

Veel teuten, ging het voor de wind, en hadden door hun financiële positie behoorlijk veel invloed in hun geboortegebied. Het gebeurde dan ook regelmatig dat bij verkiezingen voor het burgemeesterschap (Schepenen) de betreffende gekozen persoon nog op handelsreis was, en pas bij terugkomst hoorde dat hij gekozen was, en ook dan pas later beëdigd kon worden. Giften aan kerken en legaten geschonken door teuten, staven dat zij goed in de slappe was zaten, terwijl hun behuizingen van eenvoudige boerenerven langzaam veranderde in meer riante burgerwoningen, in het Vlaamse Openluchtmuseum te Bokrijk is een Teutenhuis uit 1731 afkomstig uit Exel te bewonderen.

Vrijwel zonder uitzondering, waren de Teuten katholiek, die voor geruime tijd hun Rooms-Katholieke gemeenschap verlaten, om vreemd genoeg zich grotendeels veelal in een Protestantse streken zich te gaan bewegen. Omdat zij daar dan vaak hun zondagsplicht niet konden vervullen, door het ontbreken van een katholieke kerk of anderszins, moesten zij vaak grote financië­le offers brengen aan hun thuisfront, en deden dat doorgaans ook genereus. Aan het thuisfront werd elke zondag in alle plaatsen waar Teuten vandaan kwamen, onder de hoogmis Gods zegen gevraagd voor de buitengaanders, en een jaarlijkse feestviering na hun terugkomst werd plechtig gevierd, met als verplichting het offeren van een vijf frank stuk, en een tweede mis voor de overleden compagnons. Omdat zij bijna allen uit alle windstreken in de winter terugkwamen naar huis en haard, meestal tussen St.Nicolaas en Kerstmis, werd in die periode de jaarlijkse mis gevierd, en werd aangekondigd door de pastoor met de woorden: De heerkens van zes weken zijn weer thuis, een uitspraak die in St.Huiberts Lille heel lang als een waarschu­wing gold, want tijdens de zes weken aanwezigheid, en de vele feesten die zij zich financieel konden veroorloven, liep het nog wel eens uit de hand. De uitdrukking, van de heertjes van 6 weken komt ook voor bij de Verenigde Oostindische Compagnie, alwaar men op dezelfde manier waarschuwde voor de zeelieden, als zij terugkwamen uit de Oost. Vermoedelijk duurde het 6 weken alvorens men door zijn geld heen was, en weer op pad ging. De stille en schrale Kempen, Belgisch en Nederlands, was uitgegroeid tot een groot centrum van Europese handel, dankzij vakkennis, eerlijkheid, werklust en onverschrokkenheid van de voerlui en later de Teuten.

Zij waren met hun nakomelingen de Burgerij van de Kempen, zij waren de Heren van de Kempen. (naar het woord van Senator Hubert Leymen uit België)

Dat er van die teuten zich ook blijvend gevestigd hebben, bijv. in Neder­land, bewijst de fam. op de Weegh / van der Weegh, die vanuit de plaatsen Zwartsluis en Oldemarkt zich over geheel Nederland hebben voortgeplant. Ook de familienaam Slechten is in het Sallandse geen onbekende naam, ook zij komen oorspronkelijk uit de Belgische Kempen. Ook in Maar­heeze nabij de Belgische grens heeft zich een tak gevestigd met de naam op de Weegh, maar dat zal gelegen hebben aan verspreiding vanuit het nabij gelegen Klein Brogel en Eksel. Ook zijn er natuurlijk teuten die in den vreemde zijn overle­den, gemiddeld 1.5 per jaar en niet alleen de ouderen, zo ook Arnold Opdeweegh zoon van Nicolaas Opdeweegh en Maria Bloemen, die geboren en gedoopt in Klein Brogel 4 april 1755, is overleden op zijn missie op 1 maart 1772, nog net geen 17 jaar oud, met als plaats van overlijden Holland. Vermoedelijk wisten zijn mede­reizigers niet eens precies waar.

En ook zijn neef, toevallig ook een Arnold overleed in Zeeland op 9 november 1769, maar dat kan of de provincie maar ook het plaatsje Zeeland in N.Brabant zijn. De plaatselijke pastoor noemt dan ook regelmatig de overledenen, die in verre landen en oorden zijn gestorven, Sine Luce Sine Cruse, zonder kaars en zonder kruis.

 

De families op de Weegh en van der Weegh, stammen beiden af van dezelfde voorvader, nl. Arnold Opdewege, de betekenis van die naam is, land gelegen tegen of aan een weg (dialect “weeg”). In 1844 was in Klein Brogel een huis met aangele­gen land en huisveld genaamd Weegh bewoond door een fam. Opdeweegh, maar hetzelfde goed is in 1577 ook al bewoond door Claes op die Weghe, ook al is niet bekend of dat familie van elkaar was. In België komen nog steeds mensen voor met de naam Opdeweegh en Vandeweeghde, aaneen geschreven, terwijl in Neder­land geschreven is als op de Weegh en van de(r) Weegh. In Nederland komen overigens momenteel ook Opdeweegh voor, die hun naam aaneen schrijven, ik zal U vertellen hoe dat komt. Een zoon met de naam op de Weegh ergerde zich mateloos in militaire dienst, dat hij steeds tot de letter W moest wachten alvorens hij aan de beurt was bij de uitbetaling van zijn soldij, dat hij zich Opdeweegh ging noemen, en zodoende een ruk naar voren schoof, tot de O in het alfabet, na diensttijd  bleef hij zijn naam zo schrijven, en dat is de reden. Op bete­kend gewoon wonend op het erf en goed de Weegh en van betekend gewoon komend van het erf en goed de Weegh.

Waar de naam Teuten vandaan komt, is niet duidelijk, het zou afkomstig zijn van tuiten of toeten op een hoorn om daarmee hun komst aan te kondigen, of van het Franse scheldwoord voor Teuton voor Duitsers, of van talmen bij het spreken of handelen dus teuten, maar dat laatste lijkt mij niet juist, een beetje handelaar is nu eenmaal rap van tong en van hande­len. Maar misschien is hun geheimtaal onderling wel de oorzaak van hun benaming, want voor niet verstaanders waren zij natuur­lijk maar raar aan het teuten, kortom een duidelijke verklaring is niet voorhanden.

Wat de betekenis van Teuten is, is nu wel duide­lijk, en ook de Dikke van Dale zegt over Teuten, volk van rondtrekkende koop­lieden, blikslagers e.d., afkomstig uit de Belgische Kempen. En naar deze handelslieden, is als eerbewijs de raadzaal van het stadje Peer genoemd, de Teutenzaal. Wij noorderlingen verstaan onder teuten, het praten, teuten over niets, en hopen dat in de raadzaal van Peer onze betekenis onbekend is en daardoor nimmer gebruikt is, alhoewel in de politiek weet je het maar nooit.

 

Ook in Duitsland kwam dit verschijnsel voor, onder de naam Tödden, textielhandelaren uit het gebied van het Teutoburgerwald, ook vrijwel allemaal van Katholieke huize. De bekendste nakomelingen zijn o.a. Carl en August Brenninkmeijer van C&A.

Ook uit het gebied van Westerwald in Rheinland Palts, voornamelijk uit Ransbach en Baumbach kwamen handelaren, maar in dit geval met aardewerk. Te bedenken, dat zij aanvankelijk lopende met hun zware handel op de nek Europa in trokken.

 

Bovenstaand artikel is grotendeels opgenomen in het boek “400 jaar op de Weegh op weg” welke ik eind 2000 heb uitgegeven.

Ook heb ik gemerkt, dat velen zoeken en lezen op de home-page naar de naam op en van de Weegh, velen reageren en zeggen toe familiegegevens door te zullen geven, maar dat doorgeven doen er dan uiteindelijk maar weinig, en dat is jammer. Misschien dat bovenstaand artikel uitnodigt om toch aanvullende gegevens ter beschikking te stellen, tenslotte kan iedereen van mij ook gegevens verkrijgen.

 

Anton Heijmerikx (mijn moeder was Everdina van der Weegh)

 

One Comment

  1. Nicole Bouwma
    november 3, 2015

    Hallo,

    Ik ben bezig met mijn stamboom, en kom zo terecht op uw website. Het is erg interessant te lezen over je voorouders, hoe ver je terug gaat in de tijd. Over de naam Op de Weegh kom ik zo meer te weten, ook verrast dat we in Belgie ( en de teuten) terecht komen.
    Mijn moeders oma is Alida Op de Weegh geboren 24-12-1869 in Blesdijke en overleden 17-12-1955 in Losser. Gehuwd met Petrus Damhuis. Nicolaas Op de Weegh gehuwd met Maria Bloemen zijn daarmee mijn directe voorouders. Heeft u misschien meer info voor mij? Ik hoor het graag van u.
    Met vriendelijke groet,
    Nicole Bouwma-Heurman

Geef een reactie