heijmerikx.nl

Information

This article was written on 21 okt 2009, and is filled under Religie.

De Reformatie in Nederland.

In 1483 wordt in de Duitse plaats Eisleben Maarten Luther geboren. Na zijn schooltijd studeert hij aanvankelijk rechten, maar in 1505 wordt hij monnik in een Augustijner klooster. door studie van de Bijbel raakt hij in twijfel over de juist­heid van wat de kerk leert.

Tijdens een reis naar Rome ontdekt hij hoezeer het pauselijk hof in geestelijk verval is geraakt. Terug in Duitsland wordt Luther hoogleraar in Wittenberg.

In de zomer van 1517 worden in het naburige Brandenburg aflaat­brieven verkocht door de Dominicaner monnik Tetzel, een aflaat is een door de kerk verleende vermindering of kwijtschelding van een tijdelijke straf voor begane zonden.

In de middeleeu­wen kan men bijvoorbeeld door op kruistocht of bedevaart te gaan, een aflaat verdienen. Ook wordt het mogelijk gemaakt, aflaten voor geld te kopen. Aan het eind van de 15e eeuw ontstaat een ware handel in aflaten. De rondreizende aflaathandelaren laten de mensen geloven, dat zij door het kopen van aflaatbrieven niet alleen kwijtschelding van straffen, maar ook vergeving van hun zonden krijgen.

De paus profiteert hiervan, als hij geld nodig heeft voor de bouw van de St.Pie­ter in Rome, de Dominicaan Tetzel verkocht deze aflaten voor de St.Pieter (St.Pieters-penning).

De aflaathandel wordt de aanleiding voor Luthers openlijk verzet tegen de praktijken van de kerk. Het is zijn overtuiging dat niemand behalve God zonden kan vergeven.

Niet door het doen van goede werken, maar alleen door het geloof wordt volgens Luther de mens rechtvaardig en zalig.

Volgens de overlevering spijkert hij op 31 oktober 1517 zijn 95 stellingen op de deur van de slotkapel van Wittenberg.

Hierin keert hij zich tegen de praktijk van de handel in aflaatbrie­ven. Zijn bedoeling is een debat uit te lokken met andere geleerden. De stellingen worden in korte tijd verspreid en worden bekend bij de bevolking. In 1519 moet Luther zich verantwoorden in een dispuut met de theoloog Eck.

In dit debat komt Luther tot de uitspraak dat de paus en de kerkelijke vergaderingen zich kunnen vergissen. Alleen de bijbel vormt de basis voor het geloof. Vooral dit laatste zal de centrale gedachte blijven van de Reformatie of Hervormingen, die nu met Luthers optreden onstuitbaar op gang is gekomen.

Luther wordt nu beschuldigd van ketterij (dwaling in de leer) en door de paus Leo X in januari 1521 in de ban gedaan, d.w.z. uit de kerk gestoten. Wanneer Luther de bul met de aankondiging van het pauselijk vonnis in het openbaar verbrandt, en ook de Summa Theologica van Thomas van Aquino (stichter der Dominicaner Orde), is de breuk met Rome definitief. Zijn zaak wordt in augustus 1521 op de Rijksdag te Worms besproken in het bijzijn van de jonge keizer Karel V, die zich heeft opgeworpen als verdediger van de katholieke kerk. Luther verdedigt zich en weigert zijn ideeën te herroepen.

Daarop wordt hij in de rijksban gedaan, wat inhoudt dat hij vogelvrij is.

Hij krijgt veertig dagen om naar Wittenberg terug te keren, na die tijd kan hij bij de eerste de beste aanklacht op de brandstapel gebracht worden, maar gedurende de reis wordt hij door een groepje ridders ontvoerd die hem in veiligheid bren­gen, onder bescher­ming van de keurvorst Frede­rik de Wijze van Saksen in het slot de Wart­burg.

Daar vertaald hij het Nieuwe Testa­ment in het Duits.

Na enige tijd keert hij terug naar Witten­berg, waar hij in 1525 in het huwelijk treedt met een gewezen non Katharina von Bora.

Hij preekt, schrijft theologische werken en voltooid in 1534 zijn volledige bijbelvertaling. Ook maakt hij liederen, die in de kerk door de gelovigen gezongen worden.

Zeer bekend is zijn gezang “Ein fester Burg ist unser Gott”.

In november 1545 neemt Luther dan 62 jaar oud, en een respectabele leeftijd voor die tijd, afscheid van zijn leerlingen. Oud, doodmoe en ondanks daarbij ook nog de zorg voor zijn jonge kinderen, gaat hij in Januari 1546 naar Eisleben om als bemiddelaar op te treden voor de Mansvelder graven.

Doodziek komt hij daaraan, en ondanks dat Katharina ervan weet, probeert hij haar in brieven gerust te stellen. In de vroege ochtend van 19 februari 1546 brengen Melanchton, Bugenhagen en Kreuzinger haar een bezoek, met de mededeling dat Doktor Luther op donderdag 18 februari was overleden.

Op 22 februari 1546 rijdt Katharina met haar dochter Margarethe en enige vriendinnen de lijkwagen tegemoet. Achter de lijkwagen lopen haar drie zonen, die met hun vader mee waren gereisd naar Eisleben, en om wie zij zich grote zorgen had gemaakt.

De stoet werd begeleid met vele graven en gravinnen, alsmede 40 ruiters, en vele, vele huilende mensen. De hele weg terug luiden de klokken van dorp tot dorp zonder ophouden.

In Wittenberg staan de studenten hun Luther op te wachten, samen met bestuurders, geestelijken en edellieden, daar is hij bijgezet in de slotkapel van Wittenberg, begeleid door jonge leraren, met een predikatie van Bugenhagen, en een Latijnse rede van Melanchton, een staatsbegrafenis waardig.

Zijn vrouw Katharina heeft het nooit kunnen verwerken dat haar man zo ver weg van haar is overleden, en dat zij hem niet heeft kunnen verplegen en verzorgen, en dat zij niet in de gelegen­heid is geweest afscheid van hem te kunnen nemen.

Katharina bleef achter met 3 zonen en 1 dochter, en zij heeft een zware strijd moeten leveren, om haar kinderen blijvend te kunnen verzorgen en op te voeden.

Op 20 december 1552 stierf zij, na een zwaar lijden.

Zij werd begraven, niet naast haar geliefde man, maar in de Marie-ankirche te Torgau.

­Lang voor het optreden van Luther hebben er al protesten tegen de leer en de praktijk van de kerk geklonken. De Engelse theoloog John Wiclif valt in de 14e eeuw de rijkdom van de kerk en de macht van de kerk aan.

Op grond van de bijbel, die hij in het Engels vertaald, bepleit hij een terugkeer naar de door de apostelen gepredikte eenvoud en armoede.

De Tsjechische hoogleraar Johannes Hus wordt door hem bein­vloed.

Ook hij trekt het gezag van de paus in twijfel. De kerk beschouwt hem als ketter.

In 1415 te Konstanz wordt hij op de brandstapel ter dood gebracht.

In de Nederlanden maken de boetepreken van Geert Grote (1340-1384) uit Deventer grote indruk. Hij keert zich tegen de oppervlakkige geloofsbeleving en de wereldse levenshouding van veel priesters en klooster­lingen.

Zo geeft hij de aanzet tot de beweging van de Moderne Devotie.

Zijn volgelingen, de Broeders en Zusters des Gemenen Levens, kiezen voor een vroom en sober leven, ‘in navolging van Christus’, het boek van Thomas à Kempis met deze titel is wereldberoemd. In de 15e eeuw groeit de kritiek op de misstan­den bij de geestelijkheid. Kerkelijke hoogwaardigheidsbekle­ders, zijn vaak alleen geinteresseerd in hun vak, vanwege de grote inkom­sten die eraan verbonden zijn.

De priesters in de paro­chies onttrekken zich steeds vaker openlijk aan het celi­baat (ongehuwd zijn), houden zich nauwelijks met de zielzorg bezig en zijn theologisch vaak slecht geschoold. Uit ergernis over dit laatste ijvert de Groninger Rudolf Agricola voor verbete­ring van het onderwijs. Hij is een van de vroegste humanisten in ons land.

Deze geleerden houden zich vooral bezig met studie van literatuur uit de klassieke oudheid. Ook lezen en bestuderen zij de bijbel in de oorspronkelijke taal, het Oude Testament in het Hebreeuws, en het Nieuwe Testament in het Grieks. Zij eisen het recht van zelfstandig onderzoek op en verzetten zich tegen de kritiekloze onderwerping aan de leer van de kerk.

De Noord-Nederlander Wessel Gansfort (Overl.14­89) stelt als bijbels humanist het gezag van de bijbel boven dat van de pausen, die volgens hem vaak hebben gedwaald. Naar aanleiding van het Bijbelverhaal van de verloren zoon merkt hij op: “Welke Pauselijke aflaten waren er toen voor deze terugkerende zoon noodzakelijk ?”, daarmee aangevend , dat niet de paus, maar alleen God zonden kan vergeven.

De beroemde Rotterdamse huma­nist Desiderius Erasmus (1469-1536) hekelt in zijn “Lofdicht der Zotheid” de door de kerk gestimu­leerde praktijken van de gelovigen.

Hun vroomheidbeleving wordt,  in een tijd van veel epidemie«n, sterk bepaald door angst voor de dood en het laatste oordeel. Zij houden bede­vaarten en proces­sies, vereren relikwieën, roepen voor elke moeilijkheid een andere heilige aan en probe­ren zoveel moge­lijk aflaten te verdienen. Daarbij ont­breekt het hun echter vaak aan innerlij­ke bezie­ling.

Ondanks zijn felle kritiek en zijn bewondering voor Luther heeft Erasmus de katholieke kerk niet verlaten.

Van groot belang is Erasmus uitgave van het Nieuwe Testament, die in 1516 in Bazel verschijnt. Hierin staan naast elkaar de oor­spronkelijke Griekse grondtekst en een Latijnse vertaling van Erasmus zelf. Deze wijkt sterk af van de officiële Latijnse Vulgaatvertaling uit de 5e eeuw, die in de katholieke kerk is voorgeschreven. Wanneer Luther het Nieuwe Testament in het Duits vertaalt, gebruikt hij de uitgave van Erasmus.

In de eerste jaren van de Reformatie groeit in ons land de behoefte aan bijbels in de volkstaal. Er verschijnen verscheidene onvolledige vertalingen, waarvan de tekst geheel of gedeelte­lijk niet meer ontleed is aan de Vulgaat.

De eerste complete bijbelvertaling wordt in 1526 door de Antwerpse drukker Jacob van Liesveldt uitgegeven.

De tekst is een vertaling van de bijbel van Luther, voorzover deze in dat jaar gereed is. Naarmate Luther vordert met zijn vertaling van de hele bijbel, neemt van Liesveldt deze in de talrijke herdrukken van zijn bijbeluitgave steeds meer als uitgangspunt voor de Nederlandse tekst. Een andere veelgelezen vertaling verschijnt in 1528 bij van Liesveldts stadsgenoot en concurrent Vorsterman. Om zijn bijbel ook aan katholieken te kunnen verkopen, zet hij op het titelblad ‘naar den Latijnschen text”, d.w.z. de Vulgaat, maar in werkelijkheid neemt hij grote delen uit de Liesveldt-bijbel over.

De kerk blijft argwanend tegenover het lezen van de bijbel door de gelovigen. Ten eerste uit angst voor geloofsin­terpretaties die afwijken van de kerkelijke leer, ten tweede omdat de drukkers in de kantlijnen verklarende aantekeningen plaatsen (glossen), waaruit een reformatorische gezindheid spreekt.

In de druk van 1542 van de Liesveldt-bijbel staat bijv. in de inleiding, dat ‘die salicheyt der menschen alleen compt door Jesum Christum’, d.w.z. niet door bemiddeling van de kerk. Deze opmerking is voor de inquisitie (kerkelijke rechtbank) reden om van Liesveldt te laten onthoofden.

Tussen 1522 en 1540 verschijnen tientallen gedeeltelijke en complete bijbelvertalingen die Lutherse elementen bevatten. Ze zijn vaak geïllustreerd met fraaie houtsneden.

Aanhangers van de ‘nieuwe leer’ lezen deze bijbels in samenkomsten die aan huis gehouden worden, ‘Contrairie den gheboden der Keyserlicke Majesteit’.

Velen beroepen zich tijdens vervolgingen en marte­lingen op bijbelteksten: uit deze tijd stamt het woord ‘Schriftuurlijk’, (overeenstemming met de schrift, de bijbel)

Het geschreven woord is het middel bij uitstek voor de ver­brei­ding van de reformatorische ideen. Naast de bijbelverta­lingen komen er, ondanks de censuur, boeken, pamfletten en liederen in omloop waarin de kerk aangevallen en het nieuwe geloof verdedigd wordt.

Maar ook worden er prenten, schilde­rijen en penningen gemaakt die uiting geven aan ketterse denkbeelden. De afbeeldingen drijven dikwijls de spot met de losbandigheid en de geldzucht van pausen en geestelijkheid.

Aanhangers van de nieuwe leer.

Dankzij de boekdrukkunst krijgt Luther ook in de Nederlanden snel bekendheid. Al in 1519 verbiedt de universiteit van Leuven zijn leerstellingen en verbiedt het lezen van zijn boeken. Het komt zelfs tot boekverbrandingen, o.a. in Leuven en Utrecht.

Plakkaten van keizer Karel V stellen op ieder blijk van Luthe­ranisme de doodstraf.

In 1523 worden in Brussel twee Augustij­ner monniken, Hendrik Voes en Jan van Essen, wegens lutherse sympathieën verbrand. Zij zijn de eerste martelaren van de Hervorming in de Nederlanden. Hoewel Luthers ideeën wel ingang vinden bij sommige priesters en humanistisch geschoolde leken, blijft het aantal volgelingen gering.

Alleen in de hoofdstad Antwerpen vormt zich een lutherse gemeente.

De inquisitie beschuldigt iedereen die afwijkt van de officiële leer van de kerk, van ‘lutherije’. Ten onrechte, want de kritiek op de kerk heeft in ons land toch meer een eigen karakter.

Dit wordt in de eerste decennia van de 16e eeuw vooral gekenmerkt door een op de bijbel geïnspireerd, persoon­lijk geloof, dat een afkeer heeft van de kerkelijke ceremoniën. Nieuwe inzichten op het gebied van het geloof worden geformuleerd in kringen die sterk door het bijbels humanisme zijn beïnvloed. Van de vorming van een nieuwe kerk is nog geen sprake. Wel van een stroming in het religieuze leven van alle lagen van de bevolking, die steeds duidelijker afstand neemt van de officiële kerk.

Deze stroming kan het best met “evangelisch” worden aangeduid.

Tot een kring van humanisten in Delft behoort de jurist Corne­lis Hoen.

Deze uit zijn twijfel aan de ware tegenwoordigheid van Christus in het avondmaal (de protestante benaming van het sacrament van de eucharistie, het misoffer in de katholieke eredienst). volgens hem is er geen sprake van verandering van brood en wijn in lichaam en bloed van Christus, zoals de katholieke kerk leert (transsubstantiatie).

De door Christus bij de instelling van het avondmaal gesproken woorden ‘Dit is mijn lichaam’ (Mattheas 26) leest hij als ‘Dit betekent mijn lichaam’. Wanneer de Zwitserse reformator Zwingli een tractaat van Hoen hierover leest, neemt hij deze symbolische interpre­tatie over. Luther wijst haar af. Volgens hem zijn lichaam en bloed van Christus ‘in met en onder’ de gedaante van brood en wijn aanwezig, zoals het vuur het ijzer doorgloeit (consub­stantiatie). De betekenis van het avondmaal groeit uit tot een belangrijk geschilpunt, niet alleen tussen de katholieke kerk en de aanhangers van de Reformatie, maar ook tussen de protes­tanten onderling.

De sacramentariers, zoals de medestanders van Hoen genoemd worden, worden door de inquisitie (kerkelijke rechtbank) vervolgd.

Omstreeks 1230 is die inquisitie inge­steld om ketters op te sporen, hen terug te brengen tot het geloof of hen over te leveren aan de wereldlijke rechter. Paus Gregorius IX stelde tussen 1231 en 1235 in diverse Europese landen permanente rechtbanken in, voorgezeten door rechters-inquisi­teurs, in Frankrijk bijna uitsluitend Dominicanen, in Italië Franciscanen, wiens taak het was de ketters op te sporen en te berechten.

Terzelfder tijd werd aan de straffen die konden worden gegeven de doodstraf toegevoegd.

De inquisi­teur was een buitengewoon rechter, wiens autoriteit niet in de plaats trad van die van de bisschop, maar ernaast stond en rechtstreeks door de paus was gedelegeerd.

Indien de ketter zich spontaan bij de inquisitie meldde, bestond de kans dat hem vergiffenis werd geschonken, maar wie door de publieke opinie of door getuigen werd aangeklaagd, soms zelfs in het geheim, werd voor de inquisiteur gebracht en aan berechting onderworpen. Ontkende de beschuldigde, dan trachtte men hem een bekentenis af te dwingen door middel van gevangenhou­ding tot marteling toe.

De pijnbank werd officieel toegestaan door paus Innocentius IV in 1252 en bevestigd door volgende pausen Alexander IV 1259 en Clemens IV 1265. Wie de pijnbank wist te doorstaan, werd meestal altijd vrijgesproken, en wie bekende werd door de inquisiteur na het horen van een jury gevonnist.

Eind 13e eeuw was in vrijwel heel Europa met uitzondering van Engeland en de Balkan de inquisitie ingevoerd. Na het midden van de 14e eeuw en begin 15e eeuw was in invloed van de inqui­sitie minder, en soms zelfs helemaal verdwenen. Daarna her­leefde ze echter met ongekende kracht en gestrengheid in vooral Spanje waar ze in korte tijd een verschrikkelijk in­strument werd in handen van de “allerchristelijkste koningen’.

In 1483 machtigde paus Sixtus IV de koningen van Castilië tot het benoemen van een inquisiteur generaal. Eerste groot inqui­siteur werd de Dominicaan Thomas de Torquemada, biechtvader van koningin Isabella, die de activiteit van de inquisitie met zulk een fanatieke ijver en onwrikbaarheid leidde, dat hij tot een triest symbool van deze instelling werd.

In 1542 werd door paus Paulus III de zgn. Romeinse inquisitie ingesteld, die zeker in de beginperiode een toppunt van gematigdheid was, en waarbij de door de Spaanse inquisitie veroordeelden vaak in hoger beroep gingen. Het voornaamste kenmerk van deze instel­ling was, een centralisatie van haar macht, die geen grenzen van jurisdictie kende, en haar bevoegdheid van optreden had met instemming van bisschoppelijke tribunalen.

Sinds het midden van de 17e eeuw bemoeide de Romeinse inquisitie zich steeds minder met be­schuldigingen van ketterij, en ging er steeds meer toe over om de kerkelijke wetten te laten handha­ven. De Spaanse inquisitie zette haar tragische activiteiten nog lange tijd voort, en is pas in 1834 definitief afgeschaft. De laatste veroordeling tot de brandstapel vond echter plaats in Mexico in 1815. Tegenwoor­dig is het Heilig Officie (de Con­gregatie van de geloofsleer) de vervanger van de inquisi­tie.

In de Nederlanden heeft Karel V in 1522 een eigen inquisitie ingesteld, die ook vele slachtoffers telde, zoals de Woerdense priester Jan de Bakker die in 1525 te Den Haag werd verbrand. Twee jaar later vindt Wendelmoet Claesdochter uit Monnikendam de dood, nadat zij haar rechters heeft toege­voegd:’ Ic houde u sacrament voor broot ende meel’.

Een echte volksbeweging vormen in de jaren na 1530 de dopersen (wederdopers of anabaptisten). Zij leggen sterk de nadruk op een zuivere, van de wereld afgekeerde levenswandel. Wie zich hiertoe bekeert, wordt opnieuw gedoopt en zo in hun gemeenschap opgenomen. De dopersen wijzen dus de kinderdoop af, evenals de eedsaflegging en overheids- en krijgsdienst. In doperse kringen vinden de preken van de Duitser Melchior Hofmann over de naderende wederkomst van Christus veel gehoor. Er ontstaat een dwepend fanatisme, aangevuurd door Jan Mat­thijsz uit Haarlem.

Velen vertrekken naar Munster (Westfalen Duitsland), in de overtuiging dat God daar spoedig zijn rijk zal vestigen. Hun leider Jan Beukelsz uit Leiden laat zich er tot koning uitroepen. Men leeft in de gemeenschap van goederen en mannen mogen meer van een vrouw trouwen. De stad wordt door de landsheer belegerd.

In Holland en Friesland proberen de dopersen tevergeefs steun te krijgen voor Munster.

In Amsterdam doen zij een poging het stadhuis te bezetten, maar die mislukt.

Na anderhalf jaar wordt Munster op de wederdopers heroverd.

De lijken van ‘Jan van Leiden’ en zijn helpers worden in ijzeren kooien, aan de toren van de stadskerk gehangen. Deze kooien hangen er nog steeds, inmiddels zijn de stoffelijke resten er uiteraard niet meer in aanwezig.

De Dopersen in ons land worden nu van revolutionaire bedoelingen verdacht en krijgen zware vervolgingen te verduren. Een van de nieuwe leiders, David Joris, staat zijn volgelingen toe deel te nemen aan de katholieke eredienst, om zo aan vervolging te ontkomen.

De belangrijkste leider wordt Menno Simons (1496-1561), voor­malig pastoor uit Witmarsum. Hij slaagt erin de beweging een vreedzaam karakter te geven. De Mennisten of doopsgezinden, zoals ze nu genoemd worden, wijzen elke vorm van geweld af.

Zij weten zich geleid door een inwendig licht, dat God hun schenkt. De sterke toekomstverwachting raakt daarbij op de achtergrond. Onderling oefenen zij een strenge tucht uit: wie niet als echt christen leeft, wordt uit hun gemeenschap ver­bannen.

Geen reformatorische groep is meer vervolgd dan de dopersen: de talrijke namen in hun martelaarsboeken getuigen hiervan.

De reformator die in ons land op den duur de meeste invloed heeft gekregen, is de uit Noyon (Frankrijk) afkomstige Johan­nes Calvijn (1509-1564).

Tijdens zijn studie komt hij in aanraking met het humanisme en met de geschriften van Luther. In 1536 verschijnt zijn ‘Institutio”, waarin hij een onderwijzing der christelijke religie geeft, gebaseerd op de bijbel.

Later verschijnen van dit werk uitgebreide edities; de definitieve uitgave van 1559 omvat vier delen. Het is een van de meest invloedrijke boeken uit de kerkgeschiedenis. In 1536 wordt Calvijn predikant te Geneve. Daar streeft hij naar de vestiging van een theocratie: alle burgers moeten de door hem opgestelde geloofsbelijdenis ondertekenen of anders de stad verlaten.

Het stadsbestuur keert zich echter tegen hem en Calvijn vertrekt naar Straatsburg.

Daar ontwikkelt hij nieuwe ideeën op het gebied van de liturgie en de gemeentezang.

In 1541 keert hij naar Geneve terug.

Hij belast zich met de organisatie van de protestante gemeente en bereikt dat de kerk vrij wordt van elke staatsinvloed. In 1559 sticht Calvijn een universiteit in zijn stad, waar studenten uit vele landen zijn colleges komen volgen.

Calvijns theologie verschilt op een aantal punten van de opvattingen van Luther.

Staat bij de laatste de vraag ‘Hoe vind ik genade’ centraal, bij Calvijn gaat het vooral om de verheer­lijking van God. Op zowel het persoonlijk als het sociaal-politieke terrein van het leven moet Gods soevereiniteit worden erkend.

Aan de overheid kent hij de taak toe, Gods geboden te handhaven. Doet zij dat niet, dan heeft de kerke­lijke gemeente het recht de overheid af te zetten.

Luther daarentegen ziet als eerste taak van de overheid de bescher­ming van haar onderdanen, die haar dienen te gehoorzamen. Een belangrijk leerstuk van Calvijn is dat de predestinatie of uitverkiezing: God heeft op de grond van zijn ‘eeuwige orde­ning’, d.w.z. volgens zijn wil, bepaald wie behouden wordt en wie verloren gaat. Wie het evangelie gelovig aanvaardt, kan dat alleen doen dank zij Gods verkiezende genade, en dus niet uit zichzelf.

In zijn omvang over het avondmaal staat Calvijn tussen Luther en Zwingli in. Ook volgens hem veranderen brood en wijn niet, maar door de werking van de heilige Geest heeft de gelovige aan het avond­maal op ‘geestelijke’ wijze gemeen­schap met het lichaam en bloed van Christus, die nu in de hemel is.

Het avondmaal is een herdenking van het offer dat Christus door zijn kruisdood volbracht heeft, geen herhaling daarvan, zoals de katholieke kerk leert. Meer dan Luther hecht Calvijn belang aan de zicht­bare, georganiseerde kerk.

Aan de plaatselijke gemeenten draagt hij de uitoefening van tucht op.

Predikanten, ouderlingen en diakenen worden tot ambtsdragers gekozen door de gemeenteleden. Zij moeten toezien op de nale­ving van de rechte leer, de levenswandel van de gelovigen en de zorg voor de armen.

Ten gevolge van de steeds grotere strengheid waarmee na 1540 op last van Karel V tegen de ketters wordt opgetreden, vluch­ten veel hervormingsgezinden naar Emden (Oostfriesland) en Londen. In deze steden heerst godsdienstvrijheid.

Tegen de verdrukking in dringen intussen de reformatorische gedachten van Calvijn door in de zuidelijke Nederlanden. Vanaf 1545 komen zijn vertaalde geschriften in omloop.

Rond door Calvijn geinspireer­de predikers vormen zich groepen, die in het geheim samenkom­sten houden. In Doornik stelt Guido de Bras in 1561 een ge­loofsbelijdenis op, waarvan de inhoud teruggaat op een ontwerp van Calvijn. Deze in het Frans geschreven verdediging van het Calvinisme wordt een jaar later in het Nederlands vertaald en wordt bekend als de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

Ook ver­schijnen er vanuit Emden nieuwe bijbelvertalingen.

De zg. Deux-Aes-Bijbel uit 1561 krijgt een grote populariteit. Dit geld ook voor de psalmberijming van Petrus Datheen en voor diens verta­ling van de Heidelbergse catechismus (leerboek voor het gods­dienstonderricht). Intussen groeit bij de bevolking de weer­stand tegen de Spaanse overheersing. De strenge vonnissen van de inquisitie wekken ook bij niet calvinisten verzet.

Wanneer de calvinisten in 1566 het wagen in het open veld hagenpreken te houden, worden die door duizenden aangehoord. In Vlaanderen verwoesten oproe­rige groepen in hetzelfde jaar altaren en heiligenbeelden in de kerken.

Deze beeldenstorm breidt zich uit naar het noorden.

In sommige plaatsen krijgen de protestanten door de overheid kerken toegewezen.

Om de orde te herstellen en het protestan­tisme te verdrijven zendt Philips II de hertog van Alva naar ons land. Hij voert een waar schrikbewind. Het komt tot een opstand, die geleid wordt door Willem van Oranje. Deze streeft naar verdraagzaamheid tussen de verschillende godsdienstige groeperingen, maar tevergeefs. De calvinisten beschouwen zich als leden van de enig ware kerk, die door hen naar Gods woord her-vormd of ge-re-formeerd is.

Op de synode(kerkvergadering) van Emden in 1571 wordt de opbouw van de calvinistische gemeenten in een kerkorde geregeld. Regionale synodes in de volgende jaren (Edam, Alkmaar) bepalen, dat predikanten voortaan de Nederlandse Geloofsbelijdenis moeten ondertekenen. In 1573 wordt in Holland en later ook in de andere noordelijke gewesten de katholieke godsdienst verboden.

De kerkgebouwen gaan over in handen van de gereformeerden.

De Reformatie, ruim vijftig jaar eerder begonnen, heeft nu in de noordelijke Nederlanden vaste grond onder de voeten gekregen. Nadat prins Maurits in 1591 Deventer na beleg had ingenomen, kreeg ook in deze omgeving de Hervorming pas echt ruim baan, en moest het maar eens gedaan zijn met de Paepsche ceremoniën.

In 1598 kregen de pastoors van de Drost van Salland te horen, dat zij hun activiteiten moesten opgeven, en werden in de gelegenheid gesteld zich te laten hervormen, en verder te gaan als predi­kant in een uiteraard andere plaats. De pastoors zagen met angst in hun hart zich de nieuwe religie opgedrongen, sommigen hadden grote twijfel, en probeerden soms met succes hun keus uit te stellen, mede door toedoen van vaak invloedrijke edelen van katholieke huize. Ook de bevolking diende een keus te maken, maar het spreekt vanzelf, dat zij zich lieten leiden door hun pastoor of adellijke broodheer. Gerrit de Vrieze Heer van kasteel de Wesenberg onder Wijhe heeft zich samen met andere katholieke edelen lang verzet, en ook pastoor Verheij­den uit Raalte gaf pas in 1603 te kennen, dat hij bleef in het geloof waarin hij was geboren.

De Plaskerk in Raalte ging dan ook prompt daarna over naar de gereformeerden, en pastoor Verheijden vertrok naar een boerderij in de buurtschap Lur­keershoek, welke boerderij nog steeds bekend is onder “Paapsjan”. Op den duur bleek dat voor geld veel te koop was, want katholieken mochten tegen betaling vaak op een boerderij of herengoed een eigen onderkomen hebben, als het maar niet vanaf de openbare weg zichtbaar was, de periode van schuilkerken was aangebroken.

Vandaar dan ook dat Haarle, Boerhaar, Boskamp, Lierderholthuis, Vilsteren, Duistervoorde, Vaassen en ook Raalte katholieke enclaves zijn gebleven.

De Zwolse pastoor Arnold Waeyer (1602-1692) schrijft het volgende :” Voor de beroerten waren alle deze kerspelluy­den katholiek. Bij de veranderingen van den staet omtrent 1580, wierden de vrome katholieken in de vier kerspelen Wijhe, Raelt, Olst en Heune (Heino) uit hunne kercken gedreven, de outaren gebroken, kerkplunderingh, beeldenstormerie gepleehgt, de pastoors uit hunne Weemen (pastorie) en huysen geset ende verstoten, ende hun allerley leet, spijt en versmaetheyt aangedaan”.

Het zal tot omstreeks 1700 duren, voordat de touwtjes weer wat losser geraken, en de godsdienstvrijheid weer heel voorzichtig om de hoek komt kijken, zij het oogluikend toegestaan met betaling van veel geld aan de overheidsdienaars.

Perioden van vrijheid en onderdrukking losten elkaar af over vele jaren, en dat proces zal zich nog vele malen herhalen.

Momenteel worden ze etnische zuiveringen genoemd, en alhoewel niemand er voor is, kijkt de wereld toe hoe volkeren of personen elkaar naar het leven staan in Ierland, voormalig Jugoslavie, op de Balkan, Rwanda, Irak, Tetschenie, Koerdistan, Sri Lanka, Argentinië, Afganistan het gehele midden oosten, India, Pakistan, Indonesië, Turkije of gewoon op straat in Nederland, enz. of laten radicalen hun gang gaan, of rechts extremisten die bij verkiezingen grote winsten boeken, voet­balvandalen, ach een herhaling van dingen in een nieuw eigentijds jasje, aangepast aan deze tijd, en niets nieuws, helaas helaas.

Anton G.M.Heijmerikx, Lathen

3 Comments

  1. fathi
    november 24, 2009

    warrom komt de reformatie veel te veel te laat ??? na 10 eeuwen van de bijgeloof (middeleeuwen) ?

  2. klara
    maart 30, 2014

    heel slecht

  3. In Liem
    juli 5, 2017

    kunt u onderstaand foutje s.v.p. corrigeren?

    voltooit en niet voltooid
    ij preekt, schrijft theologische werken en voltooid in 1534 zijn volledige bijbelvertaling. Ook maakt hij liederen, die in de kerk door de gelovigen gezongen worden.

Geef een reactie