heijmerikx.nl

Information

This article was written on 02 jul 2009, and is filled under Algemeen.

Eten en drinken in de Middeleeuwen.

De geschiedenis van het voedsel voor de mens, begint met het vissen en jagen door de mens, allereerst door de primitieve mens, die het dier nodig had voor voeding en kleding, en nog lang nadat de landbouw de voornaamste voedingsbron geworden was, bleef de jacht een grote rol spelen. Als middelen om de jacht te beoefenen, wordt in de bijbel al genoemd het net, het wargaren, de valstrik, de voetangel, katapult en de vangkuil. Daarna kwam in zwang de speer en pijl en boog. Bij het begin van de jaartelling, werd de jacht beoefend met behulp van paarden en honden, die dreven het wild in de richting van vangkuilen, die bekleed waren met palen met daar rondom heen glibberige huiden, om zodoende het uitglijden te bevorderen zodat het wild dan in de vangkuil terechtkwam.In het jaar 944 is in een bewaard gebleven oorkonde van Koning Otto, die het recht van de jacht geeft aan bisschop Balde­rik van Utrecht, en waarin genoemd worden, beren, evers, herten, oerossen en de beesten ‘elo en schelo’ waarmede ver­moedelijk elanden bedoeld werden. Middelen waarmede ook wild werd gevan­gen en die wij niet meer of nauwe­lijks kennen, zijn het vangen met een lokhert, een tam hert, of tamme eenden die met behulp van een kooikerhondje eenden vangen in een eenden­kooi. Ook ving men veel vogeltjes met behulp van een net, de knip of met lijmstokjes, wat momenteel nog steeds in Italië het geval is. Een hogere vorm was de valkerij, welke pas in de 11e eeuw populair werd, zijn oorsprong komt vermoedelijk uit het verre oosten en is na terugkeer van de kruistochten naar het Heilige Land naar onze streken gekomen. De valkerij diende voorname­lijk tot het bemachtigen van reigers, die in de mid­deleeuwen een zeer gewaardeerd gerecht waren.

De valkerij had tot gevolg, dat ook vrouwen zich op het pad van de jacht begaven, en ook de geestelijken deden mee, er was dan wel voldoende ander voedsel aanwezig, zodat de jacht voor de voedselvoorziening niet echt noodzakelijk was, maar dat de jacht een soort luxe element met zich meebracht.

Voor de jagers te voet kwam omstreeks 1139 een soort voetboog, die voor een beetje geoefende jager een vrij grote trefkans met zich mee bracht over een grote afstand. Het concilie van Lateranen heeft dit moordtuig wat het werd, verboden, en ook is de uitroeiing van groot wild hierdoor mede oorzaak, want in de 13e eeuw verneemt men bijv. niets meer van beren, oeros­sen of elanden, en in de 15e eeuw was het hert in Overijssel zo goed als uitgeroeid, en wanneer de Zwolse magistraat hert wilde eten, kwam die bijna steeds uit Bentheim.

Met de visvangst was het veel beter gesteld, oorspronkelijk werd in deze streken de visvangst gedaan door middel van de vangkuil. Men moet zich voorstellen dat bij storm en of hoog water er een grote gedeelten onderliepen, en als het water zich dan terugtrok, dan bleef er vis achter in de klei­gaten en lage gedeel­ten, waar de vis zich tegoed had gedaan aan de wormen en insecten die in grote getale aanwezig was. Nadat de vis daar gevangen was, deed men ze in korven of karen, en liet ze weer te water om gegeten of verkocht te worden als men ze weer nodig had. Op deze wijze kwamen er herhaaldelijk wonder­baar­lijke visvangsten voor, welke opge­schreven zijn in ver­schil­lende kloosterkronieken, welke kloos­ters vaak in de nabijheid van rivieren lagen omdat daar de levensomstandighe­den beter waren. De vissers van het klooster van Windesheim hebben in 1487 op St Vincent 22 janua­ri, in hun hanck tussen de dijk en de Herculo 125 tonnen vis gevangen, waaronder 30.000 brasems, 300 snoeken, en ontelbare meunen, vorens en harders. In het volgende jaar op 12 november hebben de vissers in dezelfde hanck gevangen 120 mudden vis, waarvan 100 mud verkocht voor F 82,-. Naast de vangkuil kende men ook de korf, een soort fuik, die in smalle watertjes werd gezet. Pas rond 1400 deed het visnet zijn intrede, en werd een begin gemaakt met de haringvangst, terwijl grote hoeveelheden zeevis pas na 1400 in de IJsselsteden op de markt kwamen.

Behalve jacht en visvangst, hield men ook kippen of hoenders voor de eieren en bijenvolken voor de honing en was.

In de middeleeuwen werden er enorme hoeveelheden eieren gege­ten, vermoedelijk meer als tegenwoordig. Het ei was een nor­maal betalingsmiddel, zeker bij kleine transacties, en ook pacht en rente kon men vaak met eieren voldoen. maar ook het vlees van de kip evenals dat van eenden en ganzen werd met smaak opgegeten. In alle kloosters kende men een hoenderhof, die de belangstelling had van de paterprocurator (beheerder van de financien), terwijl in Zwolle in 1414 een “swaanenwaar­der” werd aange­steld, die de stadszwa­nen moest hoeden die op het Zwartewater hun vertier zochten en die met extra 3 mud haver per jaar werden vetge­mest.

Ook het bijen houden was in de middeleeuwen een gewichtige zaak, en er verschenen rond 1260 al boeken waarin de bijen nauwkeurig werden beschreven. De honing was het voornaamste zoetmiddel voor die tijd, en men gebruikte het ook als genees­middel, terwijl de bijenwas als verlichtingsmiddel dienst deed in kerken en deftige huizen, in Twente moest vaak de pacht in was worden betaald, terwijl bij kerkelijke straffen ook vaak waskaarsen geschonken moesten worden, en als een delinquent begenadigd werd, dan moest hij een dikke waskaars offeren. In de kerk brandden de kaarsen, maar in gewone huizen knisterde de snotneus (olielamp met lange tuit) of de ongelkaars (on­gel=vet verkregen bij de slacht van dieren). Waskaarsen waren bijzonder deftig en luxueus, zodat eenieder er op uit was er zoveel mogelijk van te verkrijgen, en er was dan ook vaak onenigheid over het vangen van een zwerm bijen.

Konijnen hebben geen rol gespeeld in de voedselketen, omdat dat dier pas in de 12e vermoedelijk vanaf de Balearen via Italie en Frankrijk naar onze contreien werd geïmporteerd, en gold heel lang als luxe. In 1309 was een konijn evenveel waard als een varken, en de graven van Holland en Gelre fokten ze, terwijl in Holland het vangen van een konijn in het wild gestraft werd met het uitsteken van een oog, de eerste klachten over de vraatzucht van konijnen dateren pas van rond 1600.

Deventer kende het konijn al sinds 1366, daar werden ze gehouden in een konijnenberg door de magistraat aangelegd, en werden ze op stadskosten onderhouden en denk ik ook opgegeten.

Van hieruit is het konijn vermoedelijk over onze gebieden verbreid. In de middeleeuwen was de jacht het gehele jaar door geopend, en werd pas rond 1500 bepaald, dat het vlees van jachtwild op bepaalde jaargetijden ongenietbaar was, de jacht was geopend van 15 augustus tot 2 februari doch niet ten tijde van vorst en sneeuw, aldus een placaat van 27 maart 1502, met als voornaamste kleinwild, conijnen, hasen, perdrij­zen, (patrijzen) fesanen, (fazanten) cranen (kraanvogels), putoren (roerdompen), moer­hoenderen (houtsnippen), swanen, reygers, quacek(eenden), scholevaers, lepelaars, bergheenden ende andere dierghelijke. En als een jager niet van adellijke huize was, waren hem ver­schillende zaken verboden, zoals het houden van edele noch loopende honden, maar de stropers van toen hielden zich even­min aan verboden als heden, terwijl het gebruik van koperen strikken voor konijnen en hazen pas in de tachtigjarige oorlog door uitheemse soldaten hier werd ingevoerd, en verboden bij placaat van 17 maart 1595, terwijl ook het gesloten jachtsei­zoen door niemand werd opgevolgd, de Zwolse aartspriester Arent Waeijer tracteerde zijn gasten in de 17e eeuw op “een haesien” midden in de zomer, en pas in de 18e eeuw kwam er enige controle op de jacht. Het groot wild, met name het hert was toen al radicaal uitgeroeid, en is in de 19e eeuw opnieuw ingevoerd. Het enigste wild waar men het gehele jaar op mocht jagen, was op de ulk en de wolven en op de laatste stond een hoge premie die men kon innen door een gedood exemplaar aan de schout te laten zien, ook vossen vielen soms onder die rege­ling.

Naast vlees en vis, waren brood en bier in de middeleeuwen het voornaamste eten, wanneer men een betrekking aanvaarde heette het vaak te brode en te biere komen. Men kende als graan rogge, haver, gerst en tarwe, het gewone brood werd van rogge gebakken en kwam van o.a. Overijssel en Gelderland, tarwe werd ingevoerd vanuit Polen en Dantzig, Kampen was de grote invoer haven, en werd per last verkocht. De bodemverwerking ging heel primitief, men werkte met een primitieve houweel en men spitte wat, een ploeg zou onder Karel de Grote zijn uitgevonden, maar harde bewijzen ontbreken daarover, en als de ploeg al oud was, is het lang een primitief instrument gebleven.

Mest zoals wij dat kennen, was ten tijde van Karel de Grote nog onbekend, mest was er uiteraard wel, maar men had de waarde van mest nog niet ontdekt. Praktische toepassing van het twee en drieslag stelsel kende men wel, boeren lieten hun land een of twee jaren braak liggen, met de bedoeling om de grond te laten herstellen, toch was dat al een belangrijke stap in de goede richting van bemesting. Niemand weet wie de uiteindelijke toepassing van mest heeft bewerkstelligd, en men gebruikte oorspronkelijk alleen dierlijke mest. De faeces van mensen ging verloren, omdat mensen bij voorkeur privaten boven water bouwden, zodat dat in het water verdween met als medeoorzaak van de steeds terugkerende epidemieën.

De eerste schaarse berichten over bemesting komen uit de kloosterkronie­ken, men noemde het stercorare, d.w.z. faecaliën strooien. En men mag aannemen dat diezelfde kloosterlingen de werking van mest hebben geobserveerd, zij waren het immers die zich toe­legden op de kweek van groente en kruiden in hun kloostertui­nen. Rond de 14e eeuw kende men rondom de IJsselsteden nog nauwelijks de werking van mest, bij opgravingen kwamen regel­matig mesthopen te voorschijn in voormalige stalputten, en men mag aannemen dat als men de werking had gekend de mest op het land was gebracht. Maar de noodzaak van bemesting langs de IJssel was dan ook minder noodzakelijk, omdat bij overstromin­gen het water van de rivier steeds een laagje klei achterliet welke vruchtbaar was. Met het naspeuren van de geschiedenis van de groenteteelt is het moeilijk gesteld, als beschermhei­lige van de groenteboeren vereert men in Nederland de H.Wal­fried, een landbouwer die omstreeks 800 te Bedum (Gr) heeft geleefd en daar door de Noormannen in 810 is vermoord. Hij was de eerste die de gronden rondom Bedum draineerde, dijken aanlegde en groente verbouwde, maar de bronnen vermelden niet, wat hij verbouwd heeft en dat zou men juist graag weten.

Men kende erwten, bonen, wortelen en knollen, maar berichten daarover zijn schaars. De bisschoppelijke tafel van Utrecht in 1330 kende slechts vijf soorten, warmoes (bladgroente maar onbekend welke), erw­ten, slecht zelden bieten, dikwijls knoflook en uien. Fruit kende men alleen als appels, peren, kersen en ‘brunelli’ vermoedelijk ‘brummels’ bramen, terwijl de aardbei pas een eeuw later kwam. Vaak was het ook gebruike­lijk dat groenten en fruit in die dagen als kruid bekend waren, en gebruikt werden voor medicinale of aromatische doeleinden, men at het ook niet, maar men nam het in. Gezonde mensen aten grote hoeveelheden roggebrood en vlees, die met grote hoeveelheden bier naar binnen werden gespoeld, in de middeleeuwen at men om te drinken, en dronk men om te eten.

Met het lezen was het slecht gesteld, en met het schrijven was het zo nodig nog slechter gesteld. Men kwam de boeren tegemoet, door bepaalde gewoonten te koppelen aan heiligen, die men in de kerkdiensten tegenkwam, en zodoende wist men wat hen te doen stond. Later namen almanakken het over, zeker toen toch steeds meer mensen de leeskunst machtig werden, in de Kamper Almanak van 1567 staat vermeldt:

Seyt rogghe Egidii; haver, garste Benedici,

Plant kool Urbani; werpt uut roevesaet Kiliani,

Erwyt Georgii, lijnsaet Jacobique minoris,

Drech sperwer Sixti; vanghet vischen Bartholomei,

Drinckt wijn Martini; maeckt worsten Nativitatis.

Rogge zaait men op 1 september, gerst op 21 maart,

Kool plant men op 25 mei, en bietenzaad zaait men 8 juli,

Erwten 23 april, lijnzaad op 22 juni,

Met de Sperwer op vogeljacht op 6 augustus, visvangst op 24 augustus,

Wijn drinkt men op 11 november en dat men met Kerst­mis worst maakt.

Een probleem was, dat Paus Gregorius in 1582 de foutieve tijdrekening wilde verbeteren, en verordende hij, dat na 4 oktober onmiddellijk 15 november moest volgen, daarmee in een

keer een eind te maken aan de oude foute tijdrekening. Maar zeker in protestante landen zag men dat als een paapse stou­tigheid, en volgde men het niet, zodat protestanten en katho­lieken bijv. Pasen en Pinksteren maar ook kerstmis 11 dagen na elkaar vierden, pas in 1672 toen de katholieke Fransen de macht hadden, werd overal de Gregoriaanse kalender doorgevoerd. In de middeleeuwen verkocht men alles via de markt, en werd per as of per boot aangevoerd, onderweg werd vaak tol geheven, en om de prijs voor de consument laag te houden, was men verplicht om de waar “maghenaes” genoemd onmiddellijk aan de consument aan te bieden, tussenhandel of grossierderij was niet alleen door de stadswetten verboden, maar ook door het geestelijk recht ten strengste verboden, vele personen zijn in die dagen gestraft voor woeker, en men deed er alles aan om prijsopdrijving te voorkomen. Zelfs als de rogge duurder was in bepaalde perioden, mocht het brood niet duurder worden voor de consument, maar dan zocht men zijn toevlucht tot het klei­ner maken van de broden, en daar kreeg men dan toestemming voor. Men had dagmarkten voor bederfelijke waar zoals vlees, vis, boter, eieren, bier en brood, en men had jaarmarkten voor bijv. de paarden en koeien, huidenhandel, bouwmaterialen zoals steen en hout, en tenslotte de textiel. Alles was grondig gereglementeerd, en overal staken de marktmeesters, zaadwe­gers, keurmeesters, bierproevers en turftellers hun neus in om toe te zien dat er geen onrechtmatigheden plaatsvonden. Alle waar moest op banken worden uitgestald, en naar gelang van het seizoen en kwaliteit worden voorzien van verschillende kleuren lappen, en mocht de verkoop niet beginnen voor een bepaald uur. Zo mocht in Zwolle uitsluitend op zaterdag rogge verkocht worden na het luiden van de saetklocke. Ook maakte men onder­scheid tussen marktkooplieden als “onse burgher en gasten van buten”, de laatste waren aan vele bepalingen gebonden, om de eigen mensen zoveel mogelijk te bevoordelen, en ook waren er vele verboden, zo mocht men geen bier importeren uit Hamburg of Bremen dat werd luxe genoemd, en later toen dat niet meer tegengehouden kon worden, mocht dat alleen slechts per vat worden verkocht, men dronk daarom dan ook meestal inlands bier, gruytenbier tot omstreeks 1400 en daarna hopbier.

Het bier was voor de bevolking volksdrank bij uitstek, en het toezicht op de brouwerijen was een van de dagelijkse zorgen van het middeleeuws stadsbestuur. Sinds 1402 mocht men in Zwolle alleen in de Smeden bier brouwen, en men moest voor zowel brouwer als personeel beëdigd worden, en nauwkeurig werd bijgehouden hoe groot hun ketel of kuip was, en hoeveel bier gebrouwen werd. Ook mocht men pas tot verkoop overgaan als het brouwsel officieel door de bierproever gekeurd was, en die stelden kwaliteit vast en tevens de prijs waarvoor het ver­kocht mocht worden, en het was brouwers ten strengste verboden om twee soorten met elkaar te vermengen, en als het stadsbe­stuur vergaderden over zaken die de brouwers aangingen, dan dienden de brouwers af te gaan, de zaal te verlaten.

Ook de vleesvoorziening was in de middeleeuwen al spoedig stevig gereglementeerd, terwijl het aanvankelijk eenieder vrij

stond om runderen te “slaen” slachten. Men sloeg de dieren eenvoudig dood met een hamer of bijl voor het huis waar men woonde, en wanneer men er af had gehaald wat men nodig had, werd het karkas eenvoudig begraven onder de grond. In de Zwolse Sassenstraat heeft men dan ook vele malen onder het straat oppervlak talloze malen schedels van koeien, kalveren en schapen opgegraven bij werkzaamheden, en zelfs een keer een schedel van een groot hert. Omstreeks 1300 ontstond in Kampen een slagjesmarkt, een openlucht abattoir, en omstreeks 1400 in Zwolle een vleeshuis waar vleeshouwers verplicht waren te slachten en er ook een vleeskeuring ingevoerd werd, terwijl het opvallend is dat paardenvlees nergens vermeld is, klaar­blijkelijk was dat verboden te consumeren, en ook nu nog hebben vele mensen daar moeite mee. Varkens kuierden vroeger in de middeleeuwen vrij in de steden rond, behalve op het kerkhof, daar mochten zij niet wroeten, daarvoor werd een rooster gelegd waar zij niet overheen konden, terwijl ook de duivel in de gedaante van een bok daar ook niet komen kon. Men kende slechts een soort varken, een hoog op de poten staand, geelachtig met dikke haren bezet dier met een lange snuit en lichtelijk gebogen, terwijl de beren grote slachttanden had­den. En omdat de varkens in de loop van de 15e eeuw lastig gevonden werden, moest eenieder zijn varken hoeden en voor zorgen dat hij zijn straat niet uitkwam, anders werd het beest gearresteerd en kon men door betaling van boete hem weer vrij kopen, alleen het St.Antoniusvarken die herkenbaar was aan een afgesneden oor had vrije toegang tot de hele stad, maar werd daags voor zijn patroonsdag 17 januari geslacht, om aan de armen uitgedeeld te worden, na 1495 werd het verboden, om varkens in de stad te houden. Slager was een bevoorrecht en gereglementeerd beroep, die alleen met toestemming van de stadsraad hun beroep mochten uitoefenen, en daarbij een diner moesten geven voor die raad bij de intrede in het gilde.

Ter slacht mochten alleen gave dieren worden aangevoerd, die door twee keurmeesters twee maal gekeurd werden een maal voor en een maal na de slacht, het was verboden een rund te slaan wat “tuchtig” geweest was binnen de negende dag, hetzelfde gold voor een vinnig varken of een ram, en men was verplicht te slaan bij zonlicht. Slachtvee tussen Pasen en St, Michel 29 september mocht drie maal op een dag voor vers verkocht wor­den, daarna moest men het ogenblikkelijk inzouten. In de koude periode tussen St.Michel en Vastenavond mocht het drie dagen achtereen voor vers verkopen, en daarna moest het ook ingezou­ten worden. Verkoop geschiedde van s’morgens 4 tot 9 uur, dan begon de hoogmis en ging de deur van het vleeshuis dicht, en van 2 tot 5 uur s’middags kon men terecht. Bij het uitwegen moest men koperen gewichten gebruiken die regelmatig geijkt werden, en vleespreparaten mochten helemaal niet verkocht worden, en worst die men at, had men dan ook zelf thuis klaar­gemaakt. Metworst gold als een delicatesse, en stond regelma­tig op het menu van de magistraat, het was gerookt in de walm van brandend teer. Elke koper kon goed zien, welk vlees hij in de kuip had, een koe dat na St.Japik 25 juli geslacht was, moest voorzien zijn van een rode lap, en 15 tot 20 % goedkoper zijn dan ander vlees. Soortgelijke bepalingen golden ook voor andere bederfelijke waar zoals boter en gevogelte. Boter werd aangevoerd hele, halve, kwart en achtste vaten, en afgetrokken werd het gewicht voor hout, voor een heel vat 24 pond. Gevo­gelte moest aangevoerd worden compleet met poten en vleugels, en ganzen mochten niet worden opgeblazen, als zij daarop betrapt werden, dan werd hun waar naar de H.Geestgasthuizen gebracht en verdeeld onder de armen. De olie uit lijnzaad moest worden aangevoerd in pijpen, het zout in een “loop” houten kokers, de vis in platte manden waarvan de bodem niet verhoogd mocht zijn, de turf in zakken en moest alvorens ter verkoop aangeboden tweemaal geschud zijn, granen eveneens in mudzakken volgens Zwolse maat, alles volgens strenge regels.

In de middeleeuwen at de burgerman slechts tweemaal per dag, de eerste maal tussen elf en twaalf uur, en de tweede maal meestal rond zeven uur s’avonds de hoofdmaaltijd, welke in rust gegeten diende te worden, in Arnhem deed men daarvoor omstreeks 1493 zelfs de stadspoort dicht.

Grote politieke dagen werden gekenmerkt door plechtige bijeen­komsten en maaltijden. grote politieke evenementen en daarmede de zware diners vielen allen rondom Kerstmis, want dan had men meer tijd dan zomers als er gewerkt werd zolang er licht was.

Te Zwolle begon het op St Maarten 11 november wanneer de magistraat in de rekeninge zat, controle van de boeken van kameraars, keurmeesters en dergelijke heren wat vergezeld ging van uitgebreide eetfestijnen. Daarna kwam de St.Lucienacht van 12 op 13 december wanneer over politiek gepraat werd, dan kwamen er warm bier en knapkoeken op tafel en ging het er vrolijk aan toe. Vervolgens de kleine maaltijd op Kerstavond, waarbij alle schepenen een take wijn kregen ter voorbereiding van het diner op 25 december, op deze dag waren ook de pastoor en andere geestelijken aanwezig, en werden enorme hoeveelheden drank en voedsel verorberd. Op driekoningen 6 januari had het stadsbestuur een warme lunch, waarbij de kan eveneens lustig rond ging, en dat werkte aanstekelijk bij de burgerij, en dat werd doorgezet zelfs na invoering van de reformatie. Tussen 14 januari Pontiani en 21 januari St Agnesdag, werd er voor de jongelui op het stadhuis onder leiding van de magistraat ook een eet en drinkfestijn georganiseerd, welke door de apotheker ook werd bijgewoond, hij zorgde er namelijk voor dat er vooral gepeperd en gekruid spul gegeten werd. Het eigenlijke hoogte­punt kwam op 25 januari de dag waarop de magistraat gekozen diende te worden, maar eerst nam men een voorproefje op 24 januari St Paulusavond, dan was er een dubbel diner, de 12 schepenen aten in de raetkamer, en de 12 raden op den raedsto­ren, deze maaltijden werden door de cameraars de “ministers van financiën” samengesteld, en door de stadskok in de stads­keuken worden samengesteld. Gegeten werd er aan bladen welke op schragen lagen, tafels zoals wij die kennen waren tot eind 1500 onbekend. Tafellinnen werd gewassen in de Begijnhof, men was daar kennelijk zuinig op. Tafelzilver behoorde tot de stadsschat en bestond uit lepels en kroezen, vorken kende men niet en messen werden vermoedelijk door eenieder zelf meege­bracht, en schotels werden van tijd tot tijd bij de schotelier of schuttelaar besteld en bestonden uit hout gedraaide kleine voorwerpen, welke in grote hoeveelheden werden gedraaid, later vervangen door tinnen schotels, men had er 24 in gebruik, terwijl het verenigd college uit 48 personen bestond, aan tafel at men dan ook met z’n tweeen van een schotel. Stadszil­ver bezat men in 1420 voldoen­de, 12 schalen voor 24 personen, 29 lepels, in 1422 aangevuld met met 12 moesschalen, 12 grote tinnen schotels en 12 dobbelieren, welke 63 pond wogen en 8 plak per pond kostten. Ook bezat de stad vele zilveren bekers en kandelaars, die gemaakt waren na het overlijden van een hunner schepenen of raden, want niet de weduwe kreeg het restant loon maar werd er een nagedachtenis gemaakt in de vorm van zilverwerk. Dat stadszilver is op enkele stukken na ver­smolten, om de oorlog te kunnen bekostigen in 1672 tegen bisschop Bernard van Galen bijgenaamd Bommen Berend.

Als lekkernij werd de steur genuttigd, en telkens als de landsheer Zwolle aandeed, kocht men in Kampen een steur om hem te gerieven, het was een bijna twee meter lange vis met een karakteristieke korte onderkaak, maar uit niets blijkt of men het vlees dan wel het kuit van de vis als lekkernij beschouw­de, het laatste grote exemplaar is in 1821 te Kampen gevan­gen.

Een andere vorm van lekkernij was zwanenvlees, Zwolle had daarvoor dan ook stadszwanen die door een hoeder werden ver­zorgt, en in de 15 e eeuw is er bijna een oorlog uitgebroken tussen Zwolle en Hasselt, omdat ze in Hasselt Zwolse zwanen hadden gekaapt, ook pauwenvlees behoorde tot de delicatessen, al moest men veel doen om dat vlees wat erg taai was te berei­den. Ook de spreeuwen werden veel gegeten, deze “jonge dodden” golden in de vorige eeuw als lekker en voedzaam, en aan de eieren werden geneeskundige krachten toegekend. Behalve bij de magistraten vonden in het noorden geen grote banketten plaa­ts, dat kwam pas nadat de Bourgondische levensstijl zich verbreid­de over de noordelijke streken vanuit het Vlaamse land. Maar groente bleef een schaars artikel tot het midden van de 17e eeuw, vanaf die tijd is in Zwolle een groentemarkt gekomen op het Bethlehemskerkplein, en kwam vanuit Amsterdam grote aan­voer van zuidvruchten, zoals sinaasappelen, citroe­nen, krenten en rozijnen, en ontstond er een levendige ruil­handel tussen Amsterdam en Salland waar vele warmoezeniers groenten kweek­ten.

Anton G.M.Heijmerikx, Lathen

37 Comments

  1. michael nieuwesteeg
    oktober 4, 2009

    Ik zoek het volume van een vat bier uit de Middeleeuwen, omdat ik het exportvolume vanuit Gouda naar Brussel in 1434 (60.000-70.000 vaten per jaar) wil omrekenen naar hectoliters in het kader van een vergelijking met het huidige ABInBev uit Leuven. Weet u dat toevallig? Hartelijk dank! MN.

  2. rita de vuyst
    maart 21, 2010

    Ik zoek de functie van het Hooghuys in de 13de eeuw, mogelijk het huis van de magistraat; Ik ben er opgravingen aan het doen.
    Het is één van de vier stenen van het sint-Pietersdorp.
    Misschien weet u daarover meer?

  3. Sabine
    april 12, 2010

    Kan Dit misschien iets korter samengevat? Dit is namelijk iets te lang voor jongeren om dit te lezen, de jongeren zoeken ook informatie hier over , maar de jongeren hebben nooit zoveel zin om te lezen Dus Kort samengevat : Kan dit wel wel korter.

    M.V.G Sabine

  4. Sabine
    april 12, 2010

    Wat aten De mensen In de middeleeuwen?

  5. chrissa
    april 13, 2010

    ik vin het lastig en te lang…. wat sabine al zecht, het is veel e lastig!! ik moet een werkstuk maken en dat kan zo niet met deze tekst!!

  6. freya
    mei 14, 2010

    deze tekst is veel te lang, er waren beter een paar tussentitels bijgezet en alles staat door mekaar

  7. freya
    mei 14, 2010

    Deze tekst is veel te lan g zet er tussentitels bij!!!

  8. Julia
    juni 6, 2010

    haai.
    ik moet een presentatie maken over de middeleeuwen,
    maar dit is echt te lang.
    kan het korter?
    ik ben nl. 12.
    xx

  9. Lise en Julie
    oktober 9, 2010

    Wij moeten een mini-eindewerk maken over voedingsgewoonten en tafelmanieren tijdens het ancien régime. Hiervoor moeten wij ook 3 boeken raadplegen, weet er iemand enkele titels?
    alvast bedankt 😉

  10. enzo-etov
    december 16, 2010

    veel te lang meer plaatjes tussen kopjes maken de tekst al beter

  11. luc r. cromphout
    maart 24, 2011

    warmoes is een bladgroente zoals snijbiet en wordt nog geteeld bij ons in Vlaanderen (Vlaamse Ardennen)

  12. Ãœmran
    november 15, 2011

    Ik en mijn vriendin gaan het over hebben over de voedsel uit het middeleeuwen.Daarom willen wij meer informatie hebben over de voedsel middeleeuwen.

    Groetjes:Ãœmran&Manuela

  13. Amelia Hoogkamer
    oktober 11, 2012

    Goh mensen en jonge mensen! Wat is er met jullie? Deze schrijver heeft heel veel interessant onderzoek werk gedaan en geeft dat gratis aan ons. Moeten jullie niet eerder dankbaar zijn dan zo veeleisend?
    Lang is juist goed want dat betekent meer informatie. Zijn jullie echt zo lamlendig dat jullie alles op een presenteerblaadje willen hbben en er zelf geen kort relaas van kan maken?
    Ik ben blij dat mijn ouders zijn vertrokken uit NL naar een land waar ik leerden dankbaar te zijn en ook om mijn mouwen op te rollen en mijn eigen taakjes te verrichten.
    Zelf respect is goud waard en dat is de beloning als je je inzet en je eigen verantwoording draagt!

  14. Ramon
    december 6, 2012

    Dit is iets te lang, ik heb er maar een vierde tekst uit gehaald. tussen kopjes zijn ook wel fijn ja

  15. A.G.M. Heijmerikx
    december 6, 2012

    Dag Ramon.
    Als je gebruik maakt van dit artikel, omdat je zelf mogelijk geen zin hebt om zelf iets uit te zoeken, is het niet netjes om negatief te reageren, maar zou het je sieren om dank je wel te zeggen. En het is ook niet netjes om anoniem te reageren, als je een flinke jongen bent, zet je jouw complete naam onder de reactie met de naam van de school erbij. Ik wacht af of je echt een flinke jongen bent, met vriendelijke groet Anton Heijmerikx

  16. Leon
    december 12, 2012

    Beste Anton,

    Bedankt voor dit. ondanks alle bovenstaande klachten is deze tekst nog steeds een stuk overzichtelijker dan de meeste teksten die ik tijdens mijn studie voor mijn neus krijg.

    Mag ik vragen welke bronnen je hebt gebruikt voor deze tekst?

    bedankt!

  17. luci luc
    januari 10, 2013

    jullie zijn debielen

  18. Thirza
    januari 9, 2015

    waar/kan ik hier iets over vissen in de middeleeuwen?

  19. Johann Janssen
    augustus 4, 2015

    Ik vind het een erg nuttig artikel. Het enige dat ik me afvraag is of het specifiek gaat over de hanzesteden/omgeving Zwolle. Ik ben met name op zoek naar informatie over het hertogdom Brabant en Vlaanderen.

    Met vriendelijke groet,
    Johann

  20. jip en janneke
    mei 26, 2016

    mooie tekst ik eet ook veel daarom ben ik dik

  21. Kroosduiker
    juni 12, 2016

    Goed stuk, dank voor deze nuttige informatie! Chapeau!!!

  22. berkanserkanhassan
    juni 15, 2016

    egt goeie deze

  23. Maartje Kramer
    september 14, 2016

    Hoi Anton,

    Ik wil graag jouw stuk gebruiken in mijn onderzoek naar het eten in de Middeleeuwen gebruiken. Maar graag zou ik willen weten welke bronnen jij zelf hebt gebruikt voor dit onderzoek.

    Met vriendelijke groet,
    Maartje

  24. Guus Geluk
    oktober 8, 2016

    leuk stukje veel geleerd ik kopier het ff allemaal

  25. geheim zinnige hvv
    oktober 21, 2016

    hoi dit is echt lang echt niet blij moet ook werkstuk maken offer middeleeuwen maar dit is heel lang

  26. kim
    januari 26, 2017

    hey
    ik moet een werkstuk maken en ik wil graag weten wat mensen aten in de middeleeuwen. dan zie je tussen een aantal sites deze staan waar onderstaat dat mijn vraag hier beantwoord word. ik heb dyslexie dus dit is heel moeilijk voor mij te lezen omdat deze tekst enorm lang is. mijn tip is dat je of jullie tussen kopjes gebruiken. dat is voor mensen zoals mij een stuk makkelijker. nu heb ik niet de informatie kunnen vinden die ik zocht op deze site. waardeloos!

    groetjes

    groetjes

  27. klaske
    februari 23, 2017

    niets

  28. Wij zijn van de middelbareschool hetccc in Zwolle en we zitten in de brug klas dus zou je het iets korter kunnen samenvatten, want wij zoeken alleen iets over vis in de middeleeuwen.

  29. Paul Ploegman
    april 14, 2017

    Beste Anton, je hebt een fraai stuk onderzoek gedaan. Het brengt de vele gewoontes uit die tijd mooi in beeld. Ik ga enkele zinsnedes van je gebruiken als ik als gids rondwandel met gasten in onze historische stad.
    Dankjewel!

  30. Fons Bollen
    juni 16, 2017

    Wat een interessant stuk tekst.
    Ikzelf ben onlangs begonnen met een onderzoek naar -kort gezegd- de geschiedenis van reglementering van de voedselveiligheid. Deze tekst biedt de nodige aanknopingspunten.
    Bedankt!

    PS
    Als iemand zich geroepen voelt om mij van literatuurverwijzingen te voorzien, dan is dat meer dan welkom 😀

  31. Bernardum
    oktober 17, 2017

    Als je een werkstuk maakt is het de bedoeling dat je veel informatie zoekt en daar jouw deel uit destilleert. Pas dan wordt het iets waar je wat van leert. anders heeft een werkstuk geen enkele zin. Je maakt het om jezelf van te ontwikkelen. Een stuk dat je zomaar kunt knippen en plakken is zeggen dat je gaat koken en dan een pizza bestellen.

  32. Johan
    november 7, 2017

    Prachtig artikel. Voor jongeren geldt… eerst ff een cursus begrijpelijk lezen en tekst samenvatten volgen.

  33. hanne
    februari 8, 2018

    ik wil weten of mensen vroeger reiger aten maar dit ga ik niet allemaal lezen hoor

  34. Kilootzak
    april 12, 2018

    Wie dit leest is een 50 kilootzak

  35. A.G.M. Heijmerikx
    april 16, 2018

    Met dank aan het mijncarmelhengelo.nl De beheerder

  36. Rashmideva
    april 18, 2018

    Beste A.G.M. Heijmerikx ,
    U heeft geweldig veel research gedaan, om deze informatie gratis te delen met vele lezers . Ik gebruik uw informatie -met veel dank- voor mijn verhaal dat zich deels afspeelt in de middeleeuwen.

    vriendelijke groeten,
    Rashmideva

  37. Jolanda van der Ben
    oktober 12, 2018

    geweldige info, dank u wel! moet heel veel werk en studie inzitten!

Geef een reactie