heijmerikx.nl

Information

This article was written on 04 jul 2008, and is filled under Salland regionaal.

Current post is tagged

, ,

De Ommerschans als opvoedingsgesticht.

Op 1 april 1818, is op initiatief van Johannes van den Bosch, onder bescherming van Koning Willem I en diens zoon Prins Frederik, opgericht de ” Maatschappij van Weldadigheid”, met het doel paupers, bedelaars, landlopers, vondelingen en wezen op te voeden tot “zedelijkheid en eer­lijk zelfbestaan”, door hen onder te brengen in landbouwkolo­nies op te ontginnen gronden, meestal heide- en veengronden.

De eerste kolonies werden gesticht op de woeste gronden in de omgeving waar Friesland, Drente en Overijssel samenkomen. Achtereenvolgens te Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelmi­na’s oord, genoemd naar de koning en diens eerste vrouw Wilhelmina van Pruisen en hun zoon Frederik. Dit waren nog vrije kolonies, weliswaar onder streng toezicht, maar toch had men de mogelijkheid om zich op te werken tot een zelfstan­dig bestaan. Er waren uiter­aard ook mensen die het ontwend waren om te werken, of die lichamelijk niet in staat waren om te werken, maar ook weiger­den om in het gareel te lopen. Daar moest dwang aan te pas komen, en dat kon uiteraard niet in vrije kolonies. Daarom werd al vrij spoedig gezocht naar een geschikte plek waar dat gerealiseerd kon worden.

De verlaten Ommerschans, een oud verdedigingswerk uit de 80- jarige oorlog tegen de Spanjaarden, bleek geschikt gemaakt te kunnen worden, en werd in 1819 met bijbehorende terreinen in bruikleen afgestaan aan de Maat­schappij van Weldadigheid.

Vermoedelijk heeft Prins Frederik bij een bezoek met zijn vader op 3 juni 1818 reeds zijn oog laten vallen op de Ommer­schans.

Op het binnenterrein werd door aannemer M.I. Kruizinga een groot gebouw opgericht, 100 bij 100 meter, met een verdie­ping en een binnenplaats, waar werkplaat­sen waren voor mannen en vrouwen, maar wel apart, want zij werden zelfs als ze getrouwd waren streng gescheiden. Was de Ommerschans eertijds gebouwd om de Spanjaarden het binnenkomen te beletten, nu moest men zorgen dat de inwoners er niet uit konden komen.

De vrouwen moesten naaien, spinnen, weven, breien en verstellen, en de mannen klompen en kleren maken.

Aparte gebouwen werden nog gebouwd voor magazijnen, school, ziekenhuis, smederij, timmerwerk­plaats enz.

Voorts werd het bijbehorende terrein, groot onge­veer 700 ha. verdeeld in 20 boerenerven, waarop geleidelijk boerderijen werden gesticht. Daar gingen de mannen onder toezicht en geleide van soldaten werken.

Rondom dit alles verrezen nog enkele veldwachterswoningen, 17 in totaal, om het ontvluchten tegen te gaan. Het leven was hard voor de bewoners, die als gestraf­ten werden behandeld. Men kreeg niet alleen loon naar werken, maar ook eten naar werken.

Wie niet zijn volle dagtaak had volbracht, ongeacht wat daar de oorzaak van was, hetzij lui­heid, ziekte of zwakheid, kreeg naar verhou­ding minder te eten, en die niets hadden uitge­voerd, kregen niets.

Een dagboek is bewaard gebleven van een voetreis door Neder­land van de heren Dirk van Hogendorp en Jacob van Lennep, die in 1823 ook de Ommerschans bezocht hebben, hieronder een deel van hun verhaal.

In hun dagboek schrijven ze, dat ze om 8 uur vertrekken uit Zwolle, eerst van het fatsoenlijke logement dat zij gehad hadden naar het stadhuis vanwaar zij met de Hr. Tobias met een kapwa­gen met snelle paarden vertrekken. Langs grote lande­rijen gaande waar de armen van de stad hun beesten voor een geringe som laten weiden, komen zij aan bij het beroemde kanaal, dat de naam draagt van zijn aanlegger de heer van Dedem. Van daaruit vertrekt men lopend naar de herberg van Kruizinga de aannemer, die voor F 55.000,- het gansche gebouw der Ommerschans aannam en in orde bracht. Na een aangenaam gesprek met Kruizinga vertrok men omstreeks twee uren naar de Ommerschans, waar men vijf en een halve stuiver entree nam voor aanschaf van o.a. spiegeltjes en meubelen.

De rondleiding werd gedaan door een Belgische kolonist, om de mensen vrijer te kunnen laten spre­ken. De eerste vrouw wie het een en ander gevraagd werd was opgepakt, omdat zij bedelde om een ziek kind, welke zij op de schoot moet dragen, en daardoor niet werken kon, te kunnen onder­houden, op de vraag waar zij lie­ver was, durft zij niet te antwoorden.

Wel komt een opzienster de zaal opstuiven, die dit gebouw liever in de Noordzee wou zien verdwijnen, een uitspraak die zij deed waar de onderdirecteur bij was, en die zeer gedurfd was omdat zij haar ietwat betere positie daardoor best kon verliezen. De onderdirecteur liet ons lijs­ten zien met ver­diensten van de mensen, waaruit blijkt dat zij die niet wer­ken, niet zullen eten, dus een kolonist die slechts half werkt, krijgt slechts een halve portie.

Elke kolonist boven de 16 jaar moet in de week een daalder verdienen, een gulden daarvan zal voor zijn middagmaal gebruikt worden en zijn kleding, bestaande uit een zwart en grijs buis met groene opslagen en witte knopen. De overige 10 stuivers worden uitbetaald in kaartjes van 2 stuiver elk, waarvan hij aankopen doet in de winkel van de kolonie, en waarvan hij ochtend- en avondeten koopt. Buiten de kolonie hebben zij geen waarde, zodat men buiten de kolonie bijv. geen sterke drank kan kopen.

Maar de onderdirecteurs maken door kaartjes tegen woekerprij­zen en baar geld te ruilen, hier schandelijk misbruik van, om zodoen­de zichzelf te kunnen verrijken.

Volgens de regels kan geen kolonist meer verdienen dan een gulden, en willen zij meer verdienen, dan moeten zij ander zwaar werk zoeken, zoals in de venen, waar zij tot negen guldens kunnen bijverdienen. Maar daarvan krijgen zij maar 3 gulden in de hand, 3 gulden blijft aan de maatschappij en 3 gulden gaat in een bijzondere spaarpot, waarmee men als men ƒ 25,- heeft het verzoek kan doen via de kapitein naar het hoofdbe­stuur der Maatschappij van weldadigheid om vrijgesteld te worden. Dat dit moeilijk is moge duidelijk zijn, want niemand krijgt inzage in het gespaarde, en corruptie was ook niet onbekend, en niemand kon dus ergens aanspraken op maken.

De voeding in de kolonie bestond grotendeels uit paardenbonen, en dus niet geschikt voor iemand die zware arbeid moet ver­richten, alleen zij die met een weinig geld in de kolonie aankwamen, konden voedsel bijkopen en hadden daardoor meer kans om bij te verdienen en aanspraken te maken op eventuele vrij­stelling, maar iemand die zwak en zonder middelen binnen­kwam teerde langzaam maar zeker achteruit. Op de school, waar driehonderd kinderen school zouden moeten gaan, maar een dertigtal kinderen aanwezig zijn, omdat de overige kinderen aan de arbeid zijn om hun kost te verdienen.

Voor 12 tot 16 jarigen is dat 3/4, en voor 8 tot 12 jarigen volledige voeding, wat onmogelijk is, zodat dan ook vele kinderen kerm­den van de honger, evenals een akelig uit­ziend mannetje, zijnde de de oppasser, omdat zijn tenen bevroren zijn geweest, en de dokter zijn tenen met een nijptang heeft afge­knepen.

Voor de 996 zielen die de Ommer­schans bewoonden, was een lange kerel dokter, hij is uit Duitsland verbannen, en woont in een hol bij de vaart. De president van het geneeskun­dig toezicht in Zwolle heeft hem beschaamd, door hem te laten bekennen dat hij van alle kruiden in zijn recepten alleen de kropsla kende. Ook zijn bij de Gouverneur van Overijssel klachten over hem inge­leverd, maar intussen sterven de kolo­nisten onder zijn handen. Prins Frederik komt persoonlijk poolshoogte nemen over de gezondheidstoestand van de bewoners, en doet persoonlijk voorstellen om de situatie te verbeteren. Hij vestigt de aandacht op het drankmisbruik van de heelmeester, die overigens de patiënten wel goed behandelt, en stelt voor hem te ontslaan en te vervangen door een bekwame heelmeester met een niet te klein traktement. Inrichting en uitrusting van de apotheek moeten worden verbeterd, en de plaats, een vertrekje boven en pal onder de pannen lijkt hem ongeschikt. De ventilatie op de zalen lijkt hem ook onvoldoende, en de secreten dienen te worden verplaatst evenals de mesthopen.

Met gods­dienstoefeningen was het de eerste jaren ellendig gesteld, de predi­kant welke twee uur van de schans af woont komt ’s winters niet vanwege de gesteldheid van de wegen, en de katholieken komen alleen om de stervenden bij te staan, en hebben in het geheel geen dienst, omdat een gewijde ruimte ontbreekt, welke dienst kon doen als kerkzaal.

Pas in november 1823 werd door de Aartspriester van Salland, kapelaan Arnoldus Boers uit Deventer benoemd en gezonden naar het nabijgelegen Avereest, om zolang als zijn woning in de Ommerschans nog niet gereed is, van daaruit de zielzorg ter hand te nemen en de bewoners te onderrichten. Avereest en Vilsteren waren de parochies die het dichtst in de buurt lagen, maar de afstand was erg groot.

In augustus 1824 werd de eerste dienst gehouden in de “Spinzaal der Bedelaars”. Zijn opvolger was Antonius Tempelman, geboren in Colmschate. Onder zijn bezielende leiding, werd een gedeelte van de school omgebouwd tot kerklokaal, hij bleef tot 1835 en ging via benoemingen in Hasselt, Hoonhorst en Zwolle in 1853 naar Heeten, waar hij is overleden. Herman Maas geboren op de Boerhaar op erve Kattenwinkel, gedoopt op de Boerhaar op statie de Vos op 23-10-1798 toen nog een schuurkerk, als zoon van Hendrikus Maas, die zich later Kattenwinkel gaat noemen, en Antonia Jansen Stegeman. Herman Maas, die in tegenstelling tot zijn vader, en andere broers en zussen, de achternaam Maas heeft aangenomen rond 1811, heeft gestudeerd in Meppen, Hannover en                        ’s Heerenberg, is priester gewijd in de dom van Munster in 1828 en is achtereenvolgens priester geweest in Raalte op de Heemen, Colmschate, Ommerschans van 1835 tot 1841, pastoor te Avereest en vanaf 26 maart 1844 tot aan zijn overlijden op 17 februari 1879, pastoor van de St. Willibrordparochie op de Boerhaar, toen nog een waterstaatskerk.

Antonius Lammers geboren in Raalte buurtschap Reelaar, en gedoopt op 23-11-1803 als zoon van Hendrikus Lammers, ook wel Lambersboer genaamd en Henrica Jansen. Antonius werd tot de opvolger benoemd van Herman Maas. Hij was er werkzaam van 1841 tot 1843, hij komt te Raalte te overlijden op 18-11-1856 als emeritus Pastoor van Zandberg.

Ook de latere Aartsbisschop van Utrecht, Andreas Schaepman is werkzaam geweest in de Ommerschans van 1843 tot 1846.

Na hem Wilhelmus Legebeke geboren te Raalte op 5-4-1816, die van 1846 tot 1849 werkzaam is geweest op de Ommerschans.

Over het algemeen waren de periodes dat men benoemd was als pastoor op de Ommerschans erg kort, mij is niet duidelijk waarom. Misschien was het een korte proefperiode voor aankomende geestelijken, misschien waren de woon- en werkomstandigheden slecht, maar het kan ook zijn dat vanwege de mensonterende toestanden op de Ommerschans een korte periode als lang genoeg ervaren werd.

Na Willem Legebeke zijn er tot aan de sluiting in 1890, nog tal van priesters uit het bisdom Utrecht in de Ommerschans werkzaak geweest.

In het midden van der 19e eeuw, had de Ommerschans circa 250 communicanten, maar na de opheffing van de Ommerschans, was het aantal katholieken te gering om de kerk in stand te kunnen houden.

Wel woonden er nog mensen, want zij bevolkten de huizen en de boerderijen na de opheffing, en konden op die manier in hun levensonderhoud voorzien.

Interessant is, dat de Ommerschans eigenlijk geen parochie genoemd mag worden, omdat de pastoor enkel voor de bewoners van de kolonie mocht zorgen, de kolonisten dus.

Ook bestonden er geen parochiegrenzen voor de Ommerschans, en was eigenlijk een soort omheinde enclave die bestond binnen de parochie Avereest.

Dat er soms vreemde praktijken werden toege­past om de Ommer­schans vol te krijgen moge duidelijk zijn, zoals hierna om­schreven.

Enige Groninger huisgezinnen hadden zich voor de vrije kolonie van Veenhuizen opgegeven, maar door schandelijk bedrog voerde men hen naar de Ommerschans, ondanks rapportage van de kapi­tein bij de Maatschappij, zaten de ongelukkigen toch maar in de heersende ellende.

Een reiziger die op reis geen logement kon vinden, vervoegde zich bij de schout, die dronken was. Deze schout schold hem de huid vol, en maakte hem uit voor zwerver en liet hem oppakken en overbrengen naar de Ommerschans, ook hiervan werd rapport opgemaakt, maar hierdoor was de arme reiziger nog niet vrij.

Een vrouw van 70 jaren, haalde bij haar dochter een zak aard­appelen, en bracht die naar huis, maar werd door een veldwach­ter aangehouden en naar de Ommerschans gezonden.

Een arbeider uit Brugge, werd door de geeuwhonger overvallen, en een veldwachter vatte hem als zijnde een landloper op, en zond hem naar de Ommerschans buiten weten van zijn vrouw en kinde­ren, die van gebrek kwijnden en van de hulp des huisvaders versto­ken bleven.

Andere bewoners waren uit andere delen van Nederland overgebracht naar de Ommerschans, omdat er steeds een groot tekort was aan arbeidskrachten. Ook werden bewoners uit de vrije kolonies als straf naar de Ommerschans gezonden, en een enkele brutale opmerking tegen een opzichter was soms al voldoende.

Ook werden vanuit Zeeland grote aantallen mensen naar de Ommerschans getransporteerd.

In Veere was namelijk bij koninklijk besluit van 16 juni 1816 een Provinciaal werkhuis opgericht, eerder was in Hoorn een soortgelijk werkhuis opgericht.

Min of meer als voorbeeld daarvoor dienden de tucht- of werkhuizen van de grote steden zoals Amsterdam, Rotterdam en Middelburg, die al sinds de 17e eeuw aan bedelaars, zwervers en ander gespuis probeerden hen een passend beroep aan te leren.

Veere werd na de officiële opening op 10 oktober 1822, al in 1827 weer gesloten en opgeheven.

De plek was voor die tijd bijzonder, namelijk geprojecteerd in de Grote Kerk van Veere.

Napoleon had deze kerk ingericht als hospitaal voor zijn soldaten. Hij had er vier verdiepingen in laten aanbrengen. In dat hospitaal hebben duizenden soldaten het leven gelaten, niet in de laatste plaats door de als berucht bekend staande Zeeuwse koorts, maar het zegt natuurlijk ook wel iets over de geneeskundige kennis van die tijd.

Na een ingrijpende en voor die tijd kostbare restauratie van Æ’ 13.500,- werd de kerk ingericht als werkhuis, met op de 1e verdieping de spinzaal voor het spinnen en weven van stoffen.

Op de 3e en 4e verdieping werden de gescheiden eetzalen en slaapzalen ingericht.

In april 1823 waren er al 269 personen ingeschreven, waaronder 91 kinderen, verder bestond de populatie uit vagebonden, zwervers, bedelaars, voormalige gevangenen, soms met hun hele gezin, alleenstaanden, jong en oud, geestelijk gehandicapten, lichamelijk gehandicapten, en ook nogal wat ongehuwde moeders met hun kroost.

De meesten waren opgepakt voor bedelarij. De gemeenten waar zij waren geboren, of waar zij economisch gezien de laatste vier jaar gewoond hadden, en aan gebonden waren, draaiden op voor de kosten, Æ’ 0,90 per dag. Als geen enkele gemeente aansprakelijk gesteld kon worden, domweg omdat velen niet wisten waar zij oorspronkelijk vandaan kwamen, dan betaalde het rijk voor hun onderhoud. Ook was het voor zwervers etc. moeilijk zoniet onmogelijk, om het vier jaar op een plek uit te houden, dus betaalde het rijk voor hun.

Bij de opheffing in april 1824 van het Zeeuws werkhuis, stonden 375 personen ingeschreven, waarvan er 75 reeds waren overleden in voorgaande jaren, in totaal zijn er ca. 550 personen ingeschreven geweest, en dat allemaal op een kluit in een kerk in Veere, slapen, eten, werken en ook nog een betere opvoeding genieten.

Dat het tot opheffing kwam, was gelegen aan het feit dat zelfs al voor de opening van het werkhuis was besloten, dat bedelaars en zwervers die veldarbeid konden verrichten naar de Ommerschans zouden moeten verhuizen.

Deze nieuwe kolonie was anders ook niet vol te krijgen. In juli 1824 gingen 60 personen, en het 2e transport in dec. 1825 bestond uit zelfs 100 personen, begeleid door een gewapende escorte van een sergeant, korporaal en 10 manschappen. In maart 1826 gingen nog eens 60 personen, en het laatste transport ging in juni 1826, en bestond uit 42 validen. 34 invaliden werden naar Hoorn verscheept, als vee in het ruim van een schip, en die ellende meestal enkel, omdat ze uit ellende moesten bedelen.

De toevoer vanuit Zeeland en uit het tegenwoordige België, ging overigens voort, maar nu vanuit Middelburg.

Een van de grootste schandalen was overigens, dat uit de weeshuizen van Amsterdam vele bewoners naar de andere “vrije” kolonie Veenhuizen werden gestuurd, .

In de Armenhuizen en Godshuizen van vele plaatsen in Nederland, en bijv. het Aalmoezeniershuis van Amsterdam, was het sterftecijfer zeer hoog, en de gezondheid beneden de geldende maat. Gezonde arbeid en buitenlucht zou hen goed doen, dacht men, en daarom werden armen en wezen naar Veenhuizen gezonden. Welke kolonie onderdeel was van de “Maatschappij van Weldadigheid”.

Er is zelfs sprake geweest van een mammoetcontract voor 4000 wezen en 500 behoeftige gezinnen, welk contract later is vernieuwd en aanmerkelijk in aantallen is teruggebracht.

In 1854 bijvoorbeeld, waren in Veenhuizen 883 wezen opgenomen, waarvan sommigen nog bij de min waren, dus wel heel erg jong.

De kleding werd door de kolonie verstrekt, en bestond voor bedelaars uit bruine boezelaars (schorten) en zwarte mutsen, i.p.v. respectievelijk bonte en witte mutsen voor de gewone kolonisten, en op de pijen buizen van de bedelaars werden witte knopen en een groene kraag gezet. Was men er in geslaagd te deserteren, en kwam men er voor de tweede keer terug, dan was de kleding helemaal rood. Op 31 december 1840 waren er 3229 bewoners, 1929 voor de eerste maal opgenomen, 936 voor de tweede maal en dus in het rood, 274 voor de derde, 71 voor de vierde, 12 voor de vijfde, 5 voor de zesde, en 2 voor de zevende keer, de kleur van hun kleding is niet vermeld, maar men aannemen dat men er gekleurd opstond.

Ook was het de gewoonte om misdaden van diefstal en dergelijke in de schans zelf te bestraffen en te vonnissen. Dat gebeurde door een rechtbank van 7 personen met de kapitein aan het hoofd, dit deed men om te voorkomen, dat men in de burgermaatschappij niet nog meer getekend zou worden, en om zwaardere straffen te voorkomen, terwijl men zich bewust was, dat door honger en ellende men er zich misschien gemakkelijker aan overgaf om een en ander weg te halen.

Ook werden mannen en vrouwen gescheiden van elkaar, ook al was men getrouwd, dit om een al te grote bevolkingsaanwas te voorkomen, echter er heerste een republiek van Plato en Jan van Leiden, anders gezegd de Vaga Venus, zodat de meeste meisjes zwanger werden.

De jongelieden van beiderlei kunne gingen gezamenlijk naar het werk, een soldaat begeleidde ca. 50 personen, en er kan licht iets aan zijn oog ontsnappen, als ook hij de verhinderde begeerte moest ontberen, en daartoe licht werd geprikkeld.

Zoals het toentertijd voorzichtig werd omschreven.

Door al deze manieren, is het niet moeilijk om de kolo­nie bevolkt te krijgen.

De Ommerschans was gebouwd voor ruim 1.000 inwoners, maar daar kwam men de eerste jaren bij lange na niet aan toe, in 1822 telde de Ommerschans maar 79 inwoners buiten het personeel om natuurlijk.

Men probeerde met schone beloften en onder valse voorwendsels de kolonie bevolkt te krijgen, maar dat lukte maar gedeelte­lijk, totdat de regering toezegde bedelaars te sturen onder voorwaarde dat zij door godsdienst­onderricht en scholing hen ” te beschaven en te verzedelij­ken”. Men schakelde toen veld­wachters in, die een premie ontvingen, als zij bedelaars oppakten, op de wijze zoals voren omschreven. In 1823 werden meer dan 3.000 personen gevat, en dat zij niet allen volgens de regels gevat zijn, moge gezien de premie duidelijk zijn.

Was het eerder een probleem de Ommerschans te bevolken, nu was het een probleem om de steeds wisselende bevolking werk te verschaf­fen, ondanks dat men beschikte over een 20-tal boerderijen, en de sterkste naar de veenderijen gingen. Voor de zwakkeren heeft men een koffie­baalweverij opgericht die spoedig een 100 getouwen telde, en waar een kleine 500 mensen werkzaam waren.

Een storm in 1840 heeft de verdieping van het hoofdgebouw doen instorten, en dat is door geldgebrek toen niet meer hersteld. In 1859 kon de maatschappij van Weldadig­heid het geheel financieel niet meer bolwerken, en de regering heeft het beheer toen overgenomen, totdat in 1889 een einde kwam aan dit gesticht, de Ommerschans, en het officieel op 1-1-1890 werd gesloten.

De laatste bedelaars-bewoners werden overgebracht naar Veenhuizen, welk oord later wel heel erg negatief bekend werd, omdat men hier notoire drankgebruikers onderbracht

Nadat het door het leger nog een aantal jaren in gebruik is geweest als opkomstplaats voor herhalingsoefeningen, zijn de gebouwen voor afbraak verkocht en de boerderijen voor het grootste gedeelte aan de toenmalige bewoners verkocht. Deze boerderijen zijn specifiek van bouw, de meest gangbare boerderijen bestaan uit een voorhuis en een daarachter gelegen achterhuis, deze boerderijen hebben een voorhuis, met links en rechts een aanbouw, zodat de mannen en vrouwen ieder een gescheiden eigen werkplek hadden.

Enkele boerde­rijen en een groot stuk grond zijn gebruikt voor de oprichting van een heropvoedingsgesticht voor jongeren, Veldzicht genaamd, in het nabijgelegen Balkbrug.

Er is nu heden ten dage weinig terug te vinden van de voormalige kolonie de Ommerschans, behalve een vroegere schansgracht en een kerkje, dat nog steeds in gebruik is, zij het dan als woonhuis verbouwd, en verscholen tussen bomen en struikge­was ligt het bedelaarskerkhof, waar op het voorste gedeelte het personeel werd begraven getuige enkele stenen, en op het achterste gedeelte de bedelaars en dat zijn er velen geweest, alleen daar vindt men geen getuigen van, dan alleen enkele witte houten kruizen, en men mag zich afvragen of zij nog wel in een kist begraven zijn, en niet enkel in een stuk jute van de koffiebaalweverij.

Het is dat de weg ter plaatse nogal kronkelig is, omdat het de oude sporen nog volgt, want anders zou het de bestuurders van de snelle bolides van nu al helemaal niet meer opvallen.

Anno 2001 heeft men met behulp van plaatselijke initiatieven het kerkhof en de schans weer in beeld gebracht, door er onderhoud aan te plegen, en er wandel- en fietsroutes uit te zetten.

Een lofwaardig initiatief, want het wegstoppen van de doden, en daarmee de wortels van ons voorouderlijke bestaansrecht, en het vergeten van hun ellende, zou betekenen, dat er niet een les getrokken zou worden uit de geschiedenis van onze voorouders, als bewoners of als uitvoerders van dat hele kleine stukje aarde dat Ommerschans heet, en waar 5.448 bewoners begraven liggen.

Colofoon:

Archief Aartsbisdom Utrecht

Gens Nostra 55-(2000)

Rijksarchief Drente Assen

Historisch Centrum Overijsel Zwolle

Met dank voor de correcties van de Hr.P.van Liempt

Anton G.M. Heijmerikx

12 Comments

  1. Femke de Groot
    augustus 21, 2008

    Bezig zijnde met voorouderonderzoek stuitte ik vorig jaar op de plaats Ommerschans als overlijdensplaats van een zoon van één van deze voorouders. (Jan Baukes Schotanus, overleden 22 juli 1827) Wat deed een arme boerenknecht uit Friesland helemaal in Ommerschans? Bezoeken aan Gevangenismuseum Veenhuizen, de Koloniehof in Frederiksoord, het Rijksarchief in Assen en aan Ommerschans hebben me veel geleerd. Uw gedetailleerde beschrijving van de geschiedenis van Ommerschans heeft daar veel aan toegevoegd. Hartelijk dank daarvoor.

  2. Roelfsema
    januari 26, 2009

    L.S. Mijn Vraag is of het mogelijk is om te achterhalen hoe mijn Familie in Ommerschans is terecht gekomen .
    Zij kwamen uit Delfzijl in Groningen en staan in geboorte akten vermeld als arbeider -Kolonist en later als Hoevenaar de namen zijn Roelof Roelfsema zijn zoon Gerhardus Roelfs Roelfsema gehuwd met Frechien Samuels Meyer en dan gehuwd in1842 19 Mei Cornelis Roelfsema met Grietje Jans en die hebben nog ongeveer 7 kinderen gekregen die staan te boek in Veenhuizen ( Norg ).Hopend dat U mij kunt helpen teken ik
    Gerhardus Christiaan Roelfsema

  3. Joh. Dijkstra
    maart 26, 2009

    Hallo,
    Een voorouder van mij heeft in Ommerschans gezeten (landloper).
    Nu ben ik bestuurslid van de Historische vereniging Noord-Oost Friesland en schrijf een klein stukje in de plaatselijk krant. Hierbij willen ze ook een foto. Heeft u een mooie foto (digitaal). Moet min 1 MB zijn om het te kunnen plaatsen.

    Alvast bedankt.

  4. Geertje Willemsma van der Veen
    juli 10, 2009

    Op 28 juli 1847 overleed te Ommerschans: Haaije (Willems) Willemsma; kolonist; oud 62 jaar. De naam Willemsma werd in 1811 niet aangenomen, maar bij zijn huwelijk in 1815 tekent Haaije (Willems) met de naam Willemsma en van hem stammen dus alle Willemsma’s af. Het zou zo mooi zijn om juist van hem te weten, hoe en wanneer hij in Ommerschans terecht kwam. Helaas krijg ik bij het Drents Archief geen enkele respons op de naam Willemsma. Heeft iemand een idee hoe ik meer over deze periode van Haaije’s leven te weten kan komen?
    Bij voorbaat dank, Geertje Willemsma van der Veen

  5. nel blom jansen
    oktober 25, 2009

    een voorouder van mij is in Ommerschans overleden 23-02-1860 als koloniste mijn vraag is wie kan mij vertellen hoe zij daar terecht is gekomen haar naam Helena Jansen is geboren in Raamsdonk.
    Alvast bedankt Nel Blom Jansen.

  6. j. van der poel
    juli 5, 2010

    Als reactie op bericht van Nel Blom:
    In de strafvonnissen van ‘s-Hertogenbosch wordt melding gemaakt van ene Helena Janssen. Zij wordt in het jaar 1814 beschuldigd van inbraak. Misschien is dit de persoon die u zoekt. Meerd duidelijkheid hierover is alleen mogelijk door een bezoek te brengen aan het BHIC te Den Bosch.
    m.vr.gr.
    Joost van der Poel

  7. Nel Blom
    november 4, 2010

    Joost van der Poel hartelijk dank voor deze reactie,
    m.vr.gr. Nel Blom.

  8. jan dijk
    juli 18, 2011

    Een voorouder van mijn vrouw is in Ommerschans overleden.
    Haar naam is : Derkje Geerts van der Beek,overleden 5 -7-1829 .
    (doopdatum31-1-1790 te Thesinge ( gem. Ten Boer).
    Zij was kolonist en getrouwd met Hindrik Feenstra.

    Is er in de archieven van Ommerschans iets te vinden in de
    personeelsbestanden over Hindrik Feenstra? Heeft hij hier
    ook een tijd gewerkt ? (vóór 1840)

    Staan de graven ook op internet,b.v. graftombe.nl ?

    met belangstelling zie ik een reactie tegemoet.
    m.vr.groet.

    jan dijk

  9. Elly van Erve Engels
    oktober 12, 2012

    Mijn opa is in ommerschans geboren op 12 juli 1869 ik was op zoek naar mijn voor ouders en kwam er achter dat mijn opa daar is geboren verder kom ik niet wie zijn vader en moeder zijn weet ik niet .zijn naam was Gerrit Engels

  10. H.J.Schuurman
    april 11, 2013

    Als oud ambtenaar van Veldzicht,nu met pensioen,en nu Veldzicht met sluiting wordt bedreigd,en ik op zoek was naar de naam De Kolonie(ik woon sinds december 2012 op De Kolonie in Balkbrug)is het prachtig dat er zoveel nieuws te vinden is over de naam De Kolonie,dank aan hen die dit hebben verzorgd,geweldig.

  11. Nellie Bieren
    januari 25, 2014

    Ik ben op zoek naar gegevens over Samuel de Goede, geneesheer in Ommerschans van 1833 tot 1843; gehuwd met WillemijntjeSteenbeek, dochter van de onderdirecteur van Ommerschans, Wie kan mij hier meer over vertellen?
    Nellie

  12. Ilse
    maart 31, 2015

    Ik ben op zoek naar gegevens over mijn familie, de familie Starkenburg.

Geef een reactie