heijmerikx.nl

Information

This article was written on 11 jul 2007, and is filled under Religie.

Kardinaal Willem Marianus van Rossum,

geboren te Zwolle op 3 september 1854 in de Hagelsteeg, zoon van Jan van Rossum kuiper en Hendrika Veldwillems.

Na het overlijden van zijn vader op 15-5-1861, hertrouwd zijn moe­der op 13-11-1862 met Lambertus Antonius Jansen afkomstig uit Rijssen. Als dan zijn moeder op 24-9-1863 komt te overlijden kort na de geboorte van een tweeling, blijkt het voor zijn stiefvader, niet mogelijk om 5 stiefkinderen en twee net gebo­ren eigen kinderen te onderhouden.

Na familieberaad werd be­sloten om de 5 kinderen van Rossum, drie jongens in het Jon­gensweeshuis, en twee meisjes in het Weeshuis der Zusters te laten opnemen, op 3 december 1863 met medeneming van f.925,- hun wettelijk erfdeel. Bij besluit van de Regenten van het R.C. Weeshuis van 6 oktober 1867 wordt besloten om Marinus van Ros­sum naar het Klein Semenarie te Culemborg te laten gaan, onder goedkeuring van het Armbestuur, en met betaling door de fami­lie per jaar van f. 120,‑, te voldoen per kwartaal aan pastoor Roelofs te Zwolle tot aan het bereiken van de 19 jarige leeftijd.

Op het Klein Semenarie te Culemborg, trekt hij veel op met twee Zwolse jongens, de gebroeders Oldenhof waarvan er een komt te overlijden voor het afronden van zijn studie, en de ander kapelaan te Enschede en later pastoor te Hoogland is geworden.

Jaren later is Johannus Josephus van Rossum (1902-1959) een achterneef, eveneens pastoor geweest te Hoogland (1947-1959).

Jarenlang hebben Willem van Rossum en Theodorus Oldenhof schriftelijk contact onderhouden.

Op 15 mei 1873 is van Rossum ingetreden in de Orde van de Re­demptoristen te Roermond, op 16‑6‑1874 heeft hij daar de eeuwige gelof­ten gedaan, en spoedig daarna vertrokken naar het studieklooster te Wittum.

Op 17 oktober 1879 tot priester gewijd te Wit­tum door bisschop Mgr.Laurent.

Ondanks een zwakke gezondheid, is hij toch ge­roepen tot leraar aan het klooster te Roermond, later hoogle­raar Latijn en retorica te Roermond, en later te Wittum. In Wittem werd hij als prefect ook nog belast met de leiding over de priesterstuden­ten.

Mede onder zijn leiding werd een begin gemaakt met de bouw van een nieuw klooster ter vervanging van het oude Kapucijnenklooster te Wittum, om de stroom van studenten beter te kunnen huisvesten.

Tijdens de bouw wordt hij benoemd tot rec­tor van het klooster te Wittum, en is hij belast met de gehele leiding van het klooster, en priesteropleidingen, terwijl hij nog geen 40 jaar oud is. Terwijl hij daar tussendoor ook nog belast is met de voorbereiding, om een missie in Brazilië ter hand te nemen, is hij door de Generaal der Congregatie op voorspraak van de oud Provinciaal P.Oomen naar Rome geroepen, waar hij op 19 november 1895 naar toe vertrekt, begin december is hij daar aangekomen na een korte onderbreking in Parijs en een omweg naar het bedevaartoord Lourdes.

Allereerst diende hij, als oud professor die de opleiding van priesterstudenten in Wittum had geleid, de vernedering over zich heen te laten gaan van de vierschaar, ten­einde gekeurd te worden voor zijn wetenschap, maar daarin slaagde hij volkomen, en ook diende hij de Italiaanse taal onder de knie te krijgen, later beheerste hij in woord en schrift de taal vloeiend. Zijn verblijf in de H. Stad Rome viel hem zwaar, mede door de vijandelijkheden tegen Paus Leo XIII en de Roomse kerk, in een tijd dat de zouaven, waar­onder vele Nederlanders de belangen van het Vaticaan hadden verdedig­den, en het nog maar enkele jaren geleden was, dat de pauselijke staat was teruggebracht tot de muren van het Vaticaan, en in een tijd dat het gepeupel bewerkt werd door vrijmetse­laars, regelmatig priesters uitjouwden en of met stenen beko­gelden. In december 1896 werd van Rossum benoemd door Paus Leo XIII tot consultor van het H.Officie, het belangrijkste advie­scollege van Paus Leo XIII.

Wat zijn invloed geweest is binnen het Officie, zal wel nimmer bekend worden, omdat zij in het geheim opereren, terwijl de archieven mede door de Franse re­volutie in een hopeloze wanorde verkeerden.

Pater van Rossum werd o.m. belast met het ordenen van die archieven, en deed daarbij een beroep op een andere Nederlander, Piet van den Eerenbeemt, die niet onbemiddeld, godvruchtig, en die veel goeds deed in het geheim.

Aan hem alle lof en eer, dat er veel boven water kwam na maanden zwoegen op warme en stoffige zolders, waarvan men het bestaan niet meer vermoedde.

Paus Pius X nam in 1903 het besluit, om de kerkelijke wetten en decreten, wel­ke verdeeld over verschillende boekwerken en geschriften, op­nieuw te schrijven tot een overzichtelijk geheel. Mgr. Pietro Caspari werd met de uitvoering belast, en pater van Rossum was als theoloog zijn rechterhand.

Veertien jaar lang werd eraan gewerkt, en dusdanig, dat pater van Rossum overspannen als hij geraakte, tot rust moest komen in een klooster van de Redemp­toristen in het onherbergzame gebergte gelegen plaatsje Sci­felli.

In 1909 komt de benoeming af tot Generaal Consultor van de Redemptoristenorde, het op een na hoogste ambt binnen zijn kloosterorde.

Hij rekende het tot zijn taak, om het Redempto­ristinnenklooster Scala te hervormen, de plek waar de H.Alfon­sus in 1732 de orde van de Redemptoristinnen en later de Re­demptoristen gesticht had.

Het kloostercomplex Scala, was in een onbeschrijflijke toestand, men leed er verschrikkelijke armoede. De Italiaansche revolutie, was daar mede schuld aan, daardoor was het koninkrijk Napels die het klooster goedgezind was geweest, verdwenen en kwam het klooster onder de vijandig gezinde hoofdstad Rome. Het bestek bestond uit zegge en schrijve een mes, en men verkreeg uit geconfisceerde goederen 37,5 cent per dag per zuster, waarmede ook het onderhoud van klooster en kerk be­taald moesten worden. Dat daarbij een toestand ontstond van ieder voor zich, en daardoor het kloosterleven verdween, moge duidelijk zijn.

Pater van Rossum heeft door geld in te zamelen in Nederland en België bewerkstelligt dat het klooster terug­gekocht kon worden van de Italiaanse regering, en mede door zijn toedoen kwamen 5 Belgische nonnen en enige lekenzusters naar het Scalaklooster.

25 jaar nadien, in 1934 is het een bloeiende gemeen­schap, welke een parel is aan de kroon van pater van Rossum. In 1911 werd van Rossum belast met de visitatie van de Belgische kloosters der Redemptoristen, en werd hij in Luik in datzelfde jaar geopereerd aan een breuk, welke hem allang parten speelde.

Voor zijn genezing, en voor zijn rust kwam hij ook in zijn geliefde en vertrouwde Wittum, en zou samen met de Generaal overste en enkele anderen naar Rome terugreizen, maar bij een overnachting in Duitsland werd hem een telegram overhandigd, om versneld terug te keren naar Ro­me. Onderweg in de trein kwam hem een krant onder ogen waarin hij tot zijn stomme verbazing las, dat hij tot kardinaal was benoemd door Paus Pius X.

Door geheel katholiek Nederland ging een juichtoon van vreugde, omdat na vele eeuwen er eindelijk weer eens een Nederlander tot het hoge ambt geroepen werd, en ook Zwolle stond op de kop.

Eind november 1911 vond de consistorie plaats, en werd voor hem in het moe­derklooster der Redemptoristen in Rome een appartement voor hem in gereedheid gebracht, maar hij stond erop, om samen met zijn me­dekloosterlingen de kloosterdagorde te volbrengen.

Een bel herinnerde hem aan de verschillende oefeningen waaraan hij deel kon nemen, terwijl een voor hem gebouwde wenteltrap hem in de gelegen­heid stelde om gemakkelijker in de kloostertuin te komen voor meditatie en gebed.

Zijn dagtaak begon s’morgens om 4 uur, allereerst met gebed, alvorens hij zich geheel ging aankleden.

Vermoedelijk vanwege zijn jeugd waar hij armoede had gekend, maar ook vanuit zijn kloostergelofte van armoede, was hij wel heel erg zuinig op zijn spullen.

Hij presteerde het om 6 maanden lang met een scheermesje te doen, door hem wisselend te gebruiken en aan te zetten, zelfs verschillende van zijn togen gingen zo’n 20 jaar mee, en zijn brevieren (kerkboeken) gingen na intensief gebruik toch ook nog vele jaren mee.

Na persoonlijk gebed en kleden, begon om tien voor vijf de meditatie, waarna hij dagelijks de H.Mis las, om vervolgens een half uur lang God dank te zeggen en daarna een 2e H.Mis bij te wonen in zijn kapel die door zijn secretaris werd opgedragen.

Daarna ging hij ontbijten en las de krant van het Vaticaan de Osservatore Romano.

Om kwart voor zeven begon vervolgens zijn werkdag, die zich geheel afspeelde tussen de wat enge muren van zijn werkkamer, en het is bekend, dat hij moeilijk werkte omdat hij plichtsgetrouw en secuur werkte en geen genoegen nam met half werk.

Tegen acht uur kwam de secretaris om de dagelijkse en dringendste zaken te bespreken welke meestal 1 uur duurde, om vervolgens door te werken tot ca. 12 uur zonder onderbreking, waarna hij zijn brevier las volgens het privilege van de priesterbond.

De Vespers bad hij vaak al s’ morgens om­dat hij veelal voorzag daarvoor geen tijd te kunnen vrijmaken op de middag.

Om kwart voor een was het gewetensonderzoek, ge­volgd door een litanie van de H.Maagd en de Engel des Heren, daarna het middagmaal.

Na het middagmaal is er de recreatie, en vervolgens de Romeinse siësta, die bij van Rossum niet lan­ger dan een half uur duurde.

Vervolgens behandelde hij de post en tekende de stukken tot half vier.

Dan stapte hij in de auto en liet zich rijden tot buiten de stad om dan tot ongeveer vijf uur de dagelijkse wandeling te maken te midden van de natuur.

Omstreeks vijf uur was hij dan weer terug, ge­bruikte een kop thee en ging dan over tot de audiënties tot half acht, en mochten die eerder afgelopen zijn, dan maakte hij de dan resterende tijd vol met gebed.

Na het avondmaal was er wederom tijd voor recreatie en vervolgens voor gezamenlijk avondgebed.

Na die tijd trok hij zich terug op zijn kamer en verzonk in particu­lier gebed.

Hij was niet telkens in staat, om deze dagindeling te volgen, omdat hij verplichtingen had als lid van verschil­lende Congregaties.

In het najaar van 1912 werd hij door Paus Pius X als zijn vertegenwoordiger naar Wenen gestuurd, waar het Eucharistisch Wereldcongres werd gehouden op 12 september 1912, op dat moment was van Rossum de jongste en laatst gekozen kardinaal.

Als dank voor zijn voortreffelijk optreden werd hem door de paus bij terug­keer in Rome een gouden ring geschonken met de beeltenis van de paus in camee gesneden, die ring kwam na zijn overlijden door testament vermaakt, terecht bij het Moederhuis van de Eerwaarde Zusters van O.L.Vrouw Moeder van Barmhartigheid in Tilburg.

Bij die kloosterorde waren zijn twee zusters ingetreden.

Hij vertrok na de nodige voorbereidingen op 8 septem­ber 1912 naar Wenen, uitgeleide gedaan door vertegenwoordigers van de Italiaanse regering.

Nauwelijks was de trein in beweging, of kardinaal van Rossum stelde voor het brevier te gaan bidden, wat enige con­sternatie veroorzaakte, want het gezelschap had niet verwacht zo hun reis te moeten beginnen, maar van Rossum ging hun onverstoord in gebed voor.

s’Avonds kwam het gezelschap aan in Venetië, een stad gehuld in volkomen duisternis en stilte op het kabbe­len van het water na.

De Kardinaal Patriarch van Venetië had aan het Canal del Grande een gondel klaarliggen, die Kardinaal van Rossum naar het klooster van de Redemptoristen moest bren­gen, en het was aan de Venetiaanse gondeliers te danken met hun geoefende behendigheid, dat het instijgen goed verliep.

Na de nacht in het klooster te hebben doorgebracht, kwam het gezelschap de volgende dag met gezwollen ogen, rode en pijnlijke plekken op gezicht, armen en benen naar beneden, men had de waarschuwingen voor de muggen in de wind geslagen.

Om 2 uur s’middags vertrok het gezelschap uit Venetië met de trein richting Oostenrijk, uitgeleidde gedaan door een grote menigte.

In Pontafel stopte de trein, en werd het gezelschap begroet door de President van het ontvangstcommité Graaf Ja­roslav Thun met een toespraak, na afloop dankte de Kardinaal de Graaf, en sprak de zegen uit namens de paus over Keizer en volk. Daarna stapte men over in de keizerlijke trein om het avondmaal te gebruiken en de nacht door te brengen op kleine smalle geïmproviseerde en harde bedden.

De volgende dag zet de trein zich langzaam in beweging, maar wissels en slechte sporen deed iedereen door elkaar schudden.

Vijf priesters uit het gezelschap wil­den vervolgens de H.Mis opdragen, maar er was maar een altaar, om de beurten las men de H.Mis en de Kardinaal woonde ze alle vijf bij.

Te Stiermarken in Oostenrijk had de graaf een ver­rassing voor de Kardinaal, de trein stopte er te Mautern, om de kloosterlingen van het klooster van de Redemptoristen gelegenheid te geven hun Kardinaal te begroeten.

Bij het bin­nenrijden van het Weens diocees, werd het gezelschap begroet door de Wijbisschop van Wenen Mgr.Pfluger. Nu begon een ware triomftocht, langs de spoorlijn van Rekawinkel tot Wenen stond een dichte menigte, die de pauselijke afgezant wilden aan­schouwen, en zijn zegen wilden ontvangen, vooral op de stations stond overal een dichte menigte die van heinde en ver wa­ren toegestroomd, om een glimp op te vangen.

De keizerlijke trein liep 10 september tegen vieren binnen op het Westersta­tion, de Kardinaal legaat gekleed in de rode Cappa Magna, werd er verwelkomt door het ontvangstcommité, en vervolgens loopt men over de brede lopers via de vestibule naar buiten, daar aangekomen breekt een oorverdovend gejuich uit bij de tiendui­zenden verzamelde Oostenrijkers die daar al uren stonden te wachten. De keizerlijke hofrijtuigen stonden klaar, lakeien met gepoederde pruiken op de bok en aan de deuren gaven kleur aan het gebeuren.

De officiële ontvangst zou plaats hebben bij de Hofopera, waarvoor men een grote tent had opgeslagen, als van Rossum met enige moeite door zijn Cappa Magna uitstapt, blijft hij een ogenblik als betoverd staan, overweldigd door het enthousiasme en oorverdovend gejubel wat opstijgt vanaf het plein en uit alle uithoeken, vanaf daken, balkons en ven­sters, waar mensen een plaatsje gevonden hadden. Na toespraken over en weer, begaf de stoet zich richting Stephansdom alwaar een ogenblik in gebed verbleven werd.

Met de keizerlijke rij­tuigen werd vervolgens koers gezet naar de Hofburg en keizer­lijke residentie, waar van Rossum ontvangen werd door Keizer Frans Jozeph, 10 minuten duurde het onderhoud en nimmer is bekend geworden waar de keizer en de kerkvorst over gesproken hebben.

Van Rossum zou de Weense periode doorbrengen in de appartementen waar ook de Duitse keizer werd ondergebracht bij diens bezoek aan Oostenrijk. De volgende dag, bracht de Oo­stenrijkse keizer een tegenbezoek aan van Rossum, welke een uur duurde.

Om vier uur die dag zou de Kardinaal Legaat het congres op plechtige wijze openen, om twee uur reeds waren de tribunes tot de laatste plaats bezet, en ook de staanplaatsen waren overvol. Na vele toespraken, is het eindelijk de beurt aan van Rossum om het congres te openen, en na zijn laatste woorden breekt een ovationeel applaus los, die hem zichtbaar verlegen maakt. Van Rossum is helaas niet in staat om het hele congres mee te maken vanwege zijn vele verplichtingen die hij noodgedwongen moet verrichten.

Een bezoek en tegenbezoek aan de Kroonprins Aartshertog Ferdinand, en een geheim bezoek van Aartshertog Ferdinand met zijn gemalin Hertogin van Hohenberg en hun kinderen, waarbij de kinderen elk een rozenkrans moch­ten ontvangen. Vele leden van de Keizerlijke familie zouden de komende dagen op audiëntie komen bij van Rossum. Vele audiënties en het opdragen van H.Missen tot zelfs in de openlucht en de St.Stefansdom, terwijl de regen tijdens het hele congres vier dagen lang, met bakken uit de hemel kwam.

Zelfs op de Weense kinderdag, een H.Mis in de openlucht welke droog begon, maar vrijwel direct erna begon het te regenen, en stond heel de kinderschaar gezamenlijk met keizerlijke aartshertogen en aartshertoginnen kaarsrecht in de stromende regen, zonder pa­raplu’s, in totaal een uur lang, geen droge draad meer aan hun lichaam, wel had van Rossum tijdens de dienst op willen hou­den, maar een Capucijner pater die hem assisteerde wilde van geen ophouden weten.

Het regende zo hard, dat de H.Hostie met een glazen stolpje moest worden bedekt, maar het was en bleef sukkelen van het begin tot het eind. De laatste congresdag was een gro­te inspanning, s’morgens om 8 uur een plechtige H.Mis in de St.Stephansdom, om 11 uur de plechtige afsluiting van het con­gres met vele toespraken, een weinig tijd om te eten, en om half drie een feestconcert waar twee nieuwe oratoria ten geho­re gebracht werden, en daarna een ontvangst van Nederlandse pelgrims en s’avonds om half acht een plechtige ontvangst aan het Hof met receptie, waarbij 1400 mensen genodigd waren.

Er deed zich een onverkwikkelijk incident voor, toen Aartshertog Karl Franz Joseph tegen van Rossum verklaarde graag eens naar Rome te komen, maar dan als overwinnaar. Italianen die vlakbij stonden hadden het kunnen horen, de WO I was nog niet te voor­zien, maar politiek gezien was het een spannende tijd. Door niets te laten blijken en te zwijgen was Kardinaal van Rossum veelbetekenend. Een heel uur bleef de Keizer met zijn gevolg, en kwam toen hartelijk afscheid nemen.

Alvorens van Rossum zich kon terugtrekken, was het behoorlijk laat geworden en was hij zichtbaar vermoeid. De volgende dag zondag 15 september, was een grote processie met duizenden deelnemers georgani­seerd.

Omdat de H.Mis pas om een uur zou worden gelezen en men volgens kerkelijke wetten nuchter moest blijven voor het ont­vangen van de communie, had de paus van Rossum toegestaan, om s’morgens een weinig te drinken, en hij nam daarbij een weinig koffie met een ei, maar dat heeft hij geweten. Het allerhei­ligste zou door van Rossum meegevoerd worden in een der prachtige karossen, die gediend had bij de kroning in Budapest van keizer Frans Joseph en keizerin Elisabeth, rijkgedost en met grote ramen, maar opgehangen aan leren riemen. Het gevolg was dat van Rossum daar behoorlijk zeeziek in werd, en last kreeg van zijn maag. Met de grootste krachtinspanning en zijn ogen onafgewend van het allerheiligste lukte het hem om niets te laten blijken naar de talrijke mensen langs de kant. Daarna moest hij nog de H.Mis lezen in de kapel van de Hofburg, zo eindigde het Eucharistisch wereldcongres. De volgende dag ver­trok hij met de trein vanaf het Westerstation nadat hij een duizendkoppige menigte de zegen had gegeven met zijn gevolg richting Rome.

Dat hij indruk had gemaakt in Wenen blijkt uit een telegram van de Oostenrijkse keizer aan van Rossum naar aanleiding van zijn naamfeest gedagtekend 4 oktober 1912. Ook is een deel van de correspondentie bewaard gebleven tussen van Rossum en het Oostenrijkse hof.

In 1913 stierven twee kardinalen die hoge posten binnen de kerk bekleed hadden, en van Rossum werd door de Paus op 14 januari 1914 benoemd tot voorzitter der Bijbelcommissie, waar­aan hij 18 jaar lang leiding gaf. Ook was hij betrokken bij de Encycliek Spiritus Paraclitus van 20 september 1920, en ging over de leer van de H.Schrift, die hierin kort en bondig werd uiteengezet.

Ook was van Rossum in 1913 op werkbezoek naar Ne­derland vertrokken, waar zich toen openbaarde, dat hij aan suiker­ziekte leed. Hij is in datzelfde jaar ook op bezoek geweest in zijn geboortestad Zwolle, en wel op 26 en 27 juli en waar hij de plaatsen bezocht waar hij als kind was opgegroeid.

In 1914 brak de We­reldoorlog I uit, en overleed Paus Pius X, gebeurtenissen die grote invloed hadden op van Rossum, en zijn verdere leven zou­den beinvloeden. De nieuwe Paus Benedictus XV wilde dat begin ja­nuari 1915, dat van Rossum vanwege zijn goede contacten naar Oostenrijk zou afreizen, om Keizer Frans Joseph over te ha­len, grote delen van Oostenrijk af te staan aan Italië, die daar aanspraken op maakte onder leiding van de vrijmetselaars, of anders via geweld zou proberen zijn zin te krijgen.

Ziekte was de oorzaak dat van Rossum niet kon gaan, en niet ongeluk­kig daarmee bleef de zaak zoals het was.

Enige maanden later verklaarde Italië aan Oostenrijk de oorlog. Ook werd van Ros­sum door Paus Benedictus XV benoemd tot Groot Penitencier, een post die door het overlijden van Kardinaal Serafino Vannutelli was vrijgekomen, en die op 7 november 1915 in de St.Pieter zijn beslag kreeg, terwijl hij ook door overlijden van een van zijn vrienden de Kardinaal Lorenzelli benoemd werd tot Kardi­naal Titularis van de H.Kruiskerk in Jeruzalem.

Drie jaar lang gaf hij leiding als Groot Penetenciër aan de vergadering van prelaten. Ondertussen was door tegenstanders van van Rossum, bewerkstelligd dat kardinaal Serafini benoemd werd tot Prefekt der Propaganda, de plek was vrijgekomen door het overlijden van Kardinaal Gotti, toen Serafini begin maart 1918 overleed, was het Paus Benedictus XV die de benoeming doordrukte om van Rossum te benoemen op 13 maart 1918 tot Prefect der Propagan­da, beter bekend als leiding geven aan het Pauselijk Missie­werk, 14 jaar lang heeft hij er leiding aan gegeven.

Er ging een schok door Rome, een Europa in oorlog, een niet Italiaan, een vriend van de Duitsers dacht men, maar dan zeker een vriend van Oostenrijk, en die verkreeg de invloedrijkste en machtigste post na de paus binnen het Vatikaan. Van Rossum was het die met tact en ijver, en voorzichtigheid deze post nieuw leven inblies, omdat door ouderdom van de vorige prefecten het geheel wat was ingeslapen.

Omdat van Rossum van eenvoudig priester ineens kardinaal was geworden, had hij nimmer de bis­schopswijding ontvangen, een gemis die de paus op Pinksterdag 1918 persoonlijk toediende in de Sixtijnse kapel, en op die­zelfde dag trad ook het nieuw kerkelijk wetboek in werking, waarop van Rossum ook zijn stempel had gedrukt. Ondanks zijn leeftijd, in 1918 was hij 64 jaar, en zijn gezondheid die hem parten speelde, begon hij aan de grootste uitdaging van zijn leven. De missie, die onder de Propaganda viel, was de groot­ste uitdaging. In China waren het de Fransen die de benoeming van een Pauselijke Nuntius in de weg stonden, een delegaat werd na lange onderhandelingen uiteindelijk goedgevonden.

Fi­nanciele problemen waren er, tegenwerking van verschillende regeringen in het bijzonder de Franse regering, maar ook de Engelse regering hield Duitse missionarissen tegen in Zuid Afrika. Het is het werk van van Rossum, om bij verschillende kloosterorden in de wereld gedaan te krijgen, dat zij missie­gebieden aannamen, zodat met veel schuifwerk er missionarissen in verschillende landen konden worden ingezet.

De laatste ja­ren van zijn leven was hij veelvuldig en lange perioden ziek, vooral in de jaren 1927-1929.

Eind augustus 1932 kwam hij vermoeid vanuit Kopenhagen naar Amsterdam, waar hij de volgende dag naar Utrecht reisde om bij de Aartsbisschop het middagmaal te gebruiken, daarna een defile van katholieke jeugdverenigingen, van Utrecht ging de reis per auto naar Nijmegen waar hij ge­heel uitgeput aankwam en onmiddellijk te ruste ging. De vol­gende dag ging de reis naar Tilburg, voor een bezoek aan het Moederhuis der zusters waar een dierbare zuster van hem ver­bleef, daarna keerde hij weer terug naar Nijmegen.

De volgende dag zou hij een bisschopsconsecratie leiden, wat hem zichtbaar grote moeite koste, na afloop ging hij rusten en kwam in de middag pas weer te voorschijn, om met de auto naar Wittem af te rei­zen. De volgende dag 29 Augustus 1932 droeg hij met ijzeren wil, voor de laatste keer de H.Mis op, en uitgeput moest hij geheel gekleed op bed gaan liggen, om alles te doen wat moge­lijk was, werd hij vervoerd naar het ziekenhuis Calvarieberg te Maastricht, waar zusters hem konden verplegen. De volgende dag om 6 uur ging onder de meditatie in het klooster in Wittem, schel de bel, luid en drin­gend, en kwam de verpletterende mededeling, de kardinaal is overleden. .

Zijn laatste tocht van Maastricht naar Wittem, waar van Rossum begraven werd, werd een ware triomftocht, en in de kapel van het klooster is door de Italiaanse beeldhouwer Enrico Quattrini een praalgraf ge­maakt van Cararisch marmer, een geschenk van Katholiek Neder­land, en waaronder hij begraven ligt. In de St.Servaa­skerk te Maastricht hangt een rouwbord van Kardinaal van Rossum aan een der muren.

Wittem heeft van oudsher een klooster bezeten, met slotkapel, gesticht door Ferdinand Adolf Graaf van Plettenberg en Wittem. De eerste steen werd gelegd op 16-6-1729, en de plechtige in­wijding op 16-5-1733, de feestdag van de kerkpatroon de H. Johannes Nepomucenus.

De bouwmeester was de Munsterse groot­meester van de Barok, Johann Conrad Schlaun (1695-1773).

De eerste kloosterbewoners, waren Duitse Capucijner monniken, en vanaf 1836 opgevolgd door de Redemptoristen.

Wittem is een bedevaartsoord geworden, waar Gerardus Majella de heilige is, die er aanbeden wordt. Gerardus leefde in Ita­lië van 1726-1755 in dezelfde tijd als de stichter van de orde der Redemptoristen, de latere ook heilig verklaarde Alfonsus. Gerardus Majella werd in 1904 door Paus Pius X heilig ver­klaard, en vanaf die tijd stromen de pelgrims toe.

Jaren van gemiddeld tweehonderd duizend pelgrims waren geen uitzonde­ring, en zelfs in 1962 werd er nog een grote kerkzaal bijgebouwd om de stroom van pelgrims op te vangen, en in 1967 heeft men een groot parkeerterrein moeten aanleggen om een verkeerschaos in het anders zo rustige dorp te voorkomen. Zelfs in 1995 zijn er nog steeds 7 diensten per weekend nodig om de stroom van pelgrimkerkgangers toegang te verschaffen.

Een andere beroemde Redemptorist was Peerke Don­ders, een in 1809 geboren Tilburgse missionaris, die 27 jaar leefde en werkte onder de melaatsen van de kolonie Batavia in Suriname, en aldaar overleed in 1887, en zalig werd verklaard door Paus Johannes Paulus II.

Anton G.M.Heijmerikx, Lathen

Colofoon: archief Anton Heijmerikx

Kardinaal van Rossum – dr. Jos. Maria Drehmans uitg.Romen & zonen, Roermond 1935.

HCO Zwolle

5 Comments

  1. Frans Teunissen
    oktober 1, 2008

    Kardinaal Van Rossum werd geboren in de Hagelsteeg te Zwolle. Op welk nummer? Ik ben nl. stadsgids van Zwolle.

  2. w. janssen
    maart 12, 2009

    Volgens stamboomonderzoek zou de moeder Hendrika Veldwillems zijn geweest en niet Harmanna. Ik heb de resultaten hieronder toegevoegd.

    Hendrika Veldwillems

    Geboren 24-02-1825 Hellendoorn (Ov)
    Geslacht Vrouwelijk

    Vader Jannes Veldhuis
    Moeder Willemina Willems Hemmink

    Gezin 1 Jan van Rossum, geb. 24-04-1827, Zwolle (Ov)
    Getrouwd 19-05-1852 Zwolle (Ov)

    Gezin 2 Lambertus Antonius Jansen, geb. ong 1835, Rijssen (Ov)
    Getrouwd 13-11-1862 Zwolle (Ov)

    Bronnen 1. [S341] Algemeen: Huwelijksakte.
    2. [S406] Zwolle: Huwelijksakte., 1852-048
    3. [S406] Zwolle: Huwelijksakte., 1862-118

  3. W.H.J.M.Wedemeijer
    oktober 15, 2009

    Als bijzonderheid wil ik melden dat Hermanus Johannes Maria Wedemeijer, broeder Redemptorist onder de naam van Br Egidius sinds 1911 Kardinaal van Rossum tot aan zijn dood in het bijzonder gediend heeft. Hij was een oudere broer van mijn grootvader.

  4. Helma Jansen Dijkstra
    augustus 27, 2010

    Graag zou ik meer weten over kardinaal van rossum ,het is de broer van de moeder van mijn overgrootmoeder cornelia everdina van rossum,wij hebben thuis een kruis wat van hem afkomstig is ,vind geweldig na zoveel jaren iets te ontdekken ,heet zelf ook jansen en gezien de situatie na overlijden vader van Rossum is het appart,kom elk jar in wittum ,heb dit allemaal nooit geweten ,en ik ben op zoek naar nazaten!zou geweldig zijn

  5. A. Raaijmakers, Hagelstraat 15a
    februari 18, 2012

    Documentidentificatienummer:PBKR1729
    Locatie: Zwolle, O;, Hagelstraat (tot 01-02-1954 Hagelsteeg); 9;
    Beschrijving van de voorstelling: Tekening van een prentbriefkaart van de Hagelsteeg, vanaf 1954 Hagelstraat. W.M. van Rossum (1854-1932), kardinaal, werd op nr. 9 in de Hagelstraat geboren, zijnde het tweede huis van links. Het werd in 1906 vervangen door het huidige pand nr. 9. De tekening geeft de situatie uit het midden van de negentiende eeuw weer.
    Datering voorstelling: 1850 -1860
    Fotograaf: onbekende maker
    Plaats van uitgave: Zwolle, O;
    Uitgever/drukker: onbekende uitgever
    Jaar van uitgave: 1950 – 1970
    Datum poststempel: geen
    Trefwoorden:Kardinalen;Binnenstad-zuid (Wijk Binnenstad, Stadsdeel stad);Ansichtkaarten;
    Literatuur: , Zwolle, mijn stad. -Zwolle : Waanders, 2001. – dl. 7 (Ha-Hi),p. 156., Zwolle, mijn stad. -Zwolle : Waanders, 2002. – dl. 15 (Re-Sc),p. 356.
    Auteursrechthouder:onbekend, , .

    Documentidentificatienummer:PBKR1731
    Locatie: Zwolle, O;, Hagelstraat (tot 01-02-1954 Hagelsteeg); 9;
    Beschrijving van de voorstelling: Tekening van de oostgevel van de Hagelstraat ca. 1860-1900. Het geboortehuis van kardinaal W.M. van Rossum (1854-1932), Hagelstraat nr. 9, is met een kruisje aangegeven.
    Datering voorstelling: 1860 -1900
    Fotograaf: onbekende maker
    Plaats van uitgave: Zwolle, O;
    Uitgever/drukker: onbekende uitgever
    Jaar van uitgave: 1950 – 1955
    Datum poststempel: geen
    Trefwoorden:Kardinalen;Binnenstad-zuid (Wijk Binnenstad, Stadsdeel stad);Ansichtkaarten;
    Literatuur: , Zwolle, mijn stad. -Zwolle : Waanders, 2002. – dl. 15 (Re-Sc),p. 356., Zwolle, mijn stad. -Zwolle : Waanders, 2001. – dl. 7 (Ha-Hi),p. 156.
    Auteursrechthouder:onbekend, , .

    betreffende afbeeldingen kan ik niet plaatsen…als dhr. Teunissen mij zijn emailadres doet toekomen kan ik hem die mailen

Geef een reactie