heijmerikx.nl

Information

This article was written on 23 jun 2007, and is filled under Algemeen.

Teuten en Todden,

Belgische en Duitse handelaren uit vroeger tijden, die in vrijwel alle plaatsen in Nederland zijn geweest.

De bank van Pelt, een economisch en juridisch gebied in het voormalige Hertogdom Brabant, tegenwoordig in de Belgische Kempen, die o.a. de dorpen Klein en Groot Brogel, Peer, Kaulille, Neerpelt en Overpelt etc. omvatten.

Een oorspronkelijk dun bevolkt en arm gebied bestaande uit heide en arme zandgronden, waar de plaatselijke bevolking moeizaam een karig bestaan vond, en waar door vererving de boerenbedrijven klein waren, en op een gegeven moment er geen deling meer kon plaats vinden, omdat dan het bestaan ern­stig bedreigd werd, en er ook geen nieuwe gronden door ontginning meer vrij kwamen, domweg omdat het op was.

Dat hield in, dat de oudste zoon meestal op de boerderij kwam, en de rest van de familie elders een bestaan moest opbouwen, terwijl men wel erg streekge­bonden was.

Dit noodgedwongen zoeken van andere bestaansmogelijkheden, zoals in de handel, betekende, dat men wegtrok uit de streek, en dat al sinds de 16e eeuw rond 1550 tot in de 18e eeuw toe, ca. 1914. Het uitbreken van de 1e wereldoorlog zal het eind van die specifieke handel bespoedigd hebben. Hoofdzakelijk naar Duits­land, en in mindere mate naar Nederland. Die handel stond bekend onder de naam Teutenhandel, uitgevoerd door Teuten.

Ook de aangrenzende gebieden van de Kempen brachten de handela­ren voort, met de naam Teuten. Buiten de genoemde Bank van Pelt, zijn ook bijv. Lommel en Luykgestel bekende Teutendorpen.

Alvorens de Teuten met hun handel in opgang kwamen, was er een andere manier om brood te verdienen, het vervoeren van goederen en vrachten vanuit de haven van Antwerpen naar alle windstre­ken, maar vooral Duitse windstreken. Deze voerlui kwamen uit de gebieden van de latere Teutenhandel. Van de 1382 voerlieden tussen 1488-1556, waarvan de herkomst te achterhalen was, kwamen er uit de Kempen en Brabant 559, en uit de latere specifieke Teutendorpen 131, bijna 10% dus. Die voerlui en de latere Teuten, waren de bovenlaag van de bevolking, en werden daardoor vaak tot burgemeester benoemd, of hadden andere belangrijke functies en waren vaak in goeden doen.

Voerlui reisden evenals de latere Teuten in groepsverband, met het oog op veiligheid. Soms bestond een transport van voerlui uit wel 100 karren. Transport was in die dagen kostbaar, 100 pond goederen van Antwerpen naar Venetië kostte 7,5 pond, evenveel als de huishuur van 1 jaar in Antwerpen in de 16e eeuw. Het vrachtvervoer valt stil rond 1572-1576, met als oorzaak de sluiting van de Schelde door de Spanjaarden, en de vele bero­vingen van de voerlieden en of kooplieden. Ook door oorlogshan­delingen en daardoor teloorgang van handel en nijverheid, alsmede de landbouw, komt er een eind aan de welvaart in die periode. Tijdens die ellendige periode zullen ongetwijfeld oud voerlieden zijn overgestapt op de ambulante handel. Zij zijn daarin ongetwijfeld geslaagd, omdat zij als geen ander handels­ervaring hadden, zij kenden de waren voor de kwaliteit, wisten de afkomst voor de inkoop, en wisten de vraag voor hun afzet.

Ook door hun talenkennis, het eerder reizen in groepsverband alsmede de ongeschreven wetten en gedragsregels, alsmede de routes, de tollen en weggelden, vreemde maten en gewichten, vreemd geld, en de eigen taal die zij zich hadden eigengemaakt, gaven hun een voorsprong op ieder ander die hetzelfde wilde proberen. Tot slot, waren zij gewend om lang van huis en haard te zijn.

Maar omdat zij toch erg streekgebonden waren, keerden zij regelmatig terug, meest­al half december, om dan half februari weer te vertrekken tot omstreeks half december. De energiekste onder de Teuten met zakelijke inzichten organiseerden uitermate efficiënt werkende gesloten compagnieën. Zij probeerden de kost te verdienen als veehandelaren, lakenverkopers, dierenlubbers (castreerders), ketelboeren, koperslagers of marskramers, zij deden dat meestal in groepsverband tussen 2 tot 12 personen, een soort mondeling convenant, en dat alles in goed vertrouwen en overleg, zij noteerden niets, maar de compagnie bestond vaak uit personen met familiebanden, zoals vader, zoon, neef, broer, zwager en of goede bekenden. Dat samen gaan in groepen, was natuurlijk niet onverstandig, omdat zij toch vaak over s’Herenwegen trokken met veel kostbare koopwaar en geld, terwijl de veiligheid op de wegen nogal eens te wensen overliet.

Een van de dingen die zij vaak meevoerden, was een zogenaamde goastok, deze stok had verschillende functies, je kon hem gebruiken als wandelstok, als stok om bagage gemakkelijker te dragen, of als wapen tegen personen met verkeerde bedoelingen. De goastok was van binnen vaak uitgehold en bevatte dan een degen of rapier met eigen handvat, van staal en vaak in Duitsland in Solingen gesmeed. En voor zo’n geducht wapen, ging je graag aan de kant. Als zij vertrokken, kozen zij een plek in het gebied vanwaar zij wilden opereren, en gebruikten dat als magazijn en verza­mel­plaats, legden daar een voorraad aan als dat moest, en gebruikten dat als uitvalsbasis. Na een afgesproken tijd, verzamelden zij zich op die plek en stopten hun eventuele winsten en verdiensten in een gezamenlijke pot en verdeelden gezamenlijk de opbrengst, als er al eens iemand was, die door pech of bijvoorbeeld ziekte of een andere oorzaak niet of geen waar aan de man had gebracht, deed men daar niet moeilijk over, maar als dat te vaak dezelfde overkwam, dan ging hij de volgen­de reis niet meer mee en werd vervangen.

Deze Teuten hadden zoals eerder gemeld een eigen geheimtaal, zodat zij zichzelf wel maar anderen hun niet konden verstaan. Deze taal is gaande­weg geheel verloren gegaan, zeker toen velen zich hadden opgewerkt tot welgestelde kooplieden. Omdat zij veel met hun geheugen werkten, onthielden in goed vertrouwen en niet veel aan het papier toevertrouwden, zijn bewaarde archieven niet erg ruim gezaaid, ook al omdat veel verloren is gegaan bij vele particu­lieren. Wel zijn er zo hier en daar zakboekjes gevonden, die toch een goed en duidelijk beeld geven van het Teutenbestaan. Vele Teuten hebben hun handel dusdanig zien groeien, dat er grote firma’s uit zijn voortgekomen, in Denemarken bijvoorbeeld een fabriek van koperwerken, waar de Teuten het alleenrecht van koop en verkoop bezaten. Deze koperteuten kwamen hoofdzakelijk vanuit Luykgestel, zij trokken als leerling vaak mee met een ervaren koperteut. Deze leermeester nam ook een kar vol waren mee, en de leerlingen meestal 5 a 6 personen moesten dan lopend er achteraan. De route ging vanuit Brabant door de Gelderse Achterhoek en via Twente, en in Twente moest de leermeester zijn waren kwijt geraakt zijn, want anders moest hij bij het overschrijden van de grens nabij Nordhorn belasting betalen. Ook was het meer regel dan uitzondering, dat hij met hulp van een plaatselijke smokkelaar illegaal de grens overstak. Dat dit niet zonder geld kon, was hem al een doorn in het oog. Rondom Oldenzaal, Denekamp en of de Lutte, zullen de Teuten ongetwij­feld de Duitse handelaren zijn tegengekomen, die bekend staan als Todden, ook wel tiotten of t0otten genoemd. Of er tussen de Belgisch/Nederlandse Teuten, en de Duitse Todden overeenkomsten zijn, daarover zijn de deskundigen het niet eens, ik kom daar nog op terug..Ook het Unilever concern bijvoorbeeld, komt oorspronkelijk voort uit de boterhandel van de teuten, van den Bergh en Jurgens.

In officiële geschriften komt de naam Teuten voor het eerst voor in 1668 te Eindhoven in een processtuk tegen Joost Jansen alias de Teut. Ook zijn er placaten uitgevaardigd met maatrege­len tegen Teuten, in Gelderland op 11-3-1679, in 1706 en 1777, waarin handelaren gedwongen waren een vaste woon en werkplek te nemen. Deze maatregel was bedoeld om de inwoners van dorpen en steden te beschermen tegen de rondtrekkende Teuten. Veel hielp dat niet, want vele Teuten kochten gewoon een huis, gingen er wel wonen, maakten daarvan hun magazijn en trokken evengoed in de verre omgeving rond. Weer anderen namen water en vuur, dus gingen in de kost, en trokken vandaar uit ook rond.

In de Rijksarchieven van Hasselt in België, staat opgeschre­ven, dat een jongeman uit Klein Brogel (in Nederland Klein Breugel) meeging op reis met een ervaren dierenlubber om het vak te leren, en hij betaalde daarvoor een prijs van tien gulden. Nadien beklaagde hij zich bij de bank van Pelt, dat hij het mes niet had mogen hanteren en dat hij dan wel alles gezien had maar nog niets kon. Het spreekt vanzelf dat de dierenlubbers of dierensnijders (castreerders van paarden, koeien, schapen en varkens) vaak alleen of hooguit met zijn tweeën opereerden, en ook geen uitvalsbasis hadden, zij bedienden zich vaak van een schalmei, een 6 of 7 tal koperen holle buisjes aaneen gesoldeerd met verschillende lengten tussen ca. 3 tot 7 cm. waarover men met een staaf ratelde, en zodoende hun komst aankondigde.

De koperteuten herkende men vaak aan het rammelen van de potten en pannen, die zij aan haken rondom hun lichaam met zich meedroegen. (In Luykgestel staat een beeld van zo’n koperteut, terwijl de plaatselijke carnavalsvereniging de naam voert van Teuten, en hun dorp elk jaar omtovert in Teutendorp) Deze reizende handelaren kwamen het meest voort uit 3 verschillende centra’s, Noord Westfalen, het Duitse Nederrijn gebied en de Kempen. Hun handelsgebied was eigenlijk heel Europa, men kon ze tegenkomen van Zweden, Denemarken tot in Hongarije toe. Zij handelden in vele zaken en artikelen, maar de boventoon voerde toch, koper, haar, textiel en in mindere mate boter, marskramers met hun groot assortiment artikelen op hun rug, en de dierenlubbers welke laatste groep eigenlijk een beetje een aparte plaats innamen. Koperen ketels werden veel verhandeld, om stokerijen al dan niet illegaal van ketels te voorzien, ook kochten zij oude versleten koperen ketels op, om zodoende die gehele handel in de hand te hebben.

Haar werd opgekocht, om de pruikenhandel van haar te voorzien.

Dat haar werd van particulieren gekocht, mensen met lang haar werden aangesproken om het te verkopen. Blond haar haalde men uit Scandinavië, zwart haar uit Hongarije, Roemenië en de verdere Balkan. Zuiver wit haar werd ook op de Balkan opgekocht, maar werd daar aangevoerd vanuit Iran, maar dat was haar van bokken, specifiek van de sik van de bok. Bekend is o.a. dat Koning Willem I een pruik ophad van wit haar, een bokkenpruik dus, en aangezien hij niet de allervriendelijkste persoon was, was de bokkenpruik op hebben, op hem zeker van toepassing.

Teuten waren een aparte groep in de samenleving, maar stonden beslist niet afzijdig van diezelfde samenleving. Ook stonden zij bekend om hun sobere en zuinige levensstijl, alsmede om hun ordentelijk en eerlijk gedrag, en hun werklust. In een bewaard gebleven schrif­telijk contract van een compagnie stond o.a:

De belofte van het zich niet dronken drinken, geen kaart of kegel te spelen, niet vloeken nog te vechten en andere onbetamelijkheden na te laten.

In 1796 woonde te Overpelt 822 mensen, waarvan er 104 Teuten waren 12.5 %, een relatief groot aantal. Hiervan waren er 64 ketelbuter of koperslager, en 49 ongehuwd. Kramers waren er 23 waarvan 15 ongehuwd en aan snijders of dierenlubbers 17 waarvan 13 ongehuwd. Wel betekend dat gegeven, dat de vrouwen veelal samen met de oudere inwoners en de kinderen het vele werk thuis en op het land moesten verrichten, vooral in de zomermaanden, als hun wederhelft op pad was, en ook de opvoeding van de kinderen kwam voor hun rekening.

Over deze reizende handwerkslieden of handelaren, de teu­ten, zijn verschillende publicaties verschenen van de hand van J.Mertens, verbonden aan het Rijksarchief van Hasselt in België, in het ” Jaarboek 1984 Het Oude Land van Loon”, Kempens kra­mersvolk in Nederlandse en Rijnlandse gewesten in de 17e eeuw (1985), en over de 18 en 19e eeuw (1995).

Veel teuten, ging het voor de wind, en hadden door hun financiële positie behoorlijk veel invloed in hun geboortegebied. Het gebeurde dan ook regelmatig dat bij verkiezingen voor het burgemeesterschap (Schepenen) de betreffende gekozen persoon nog op handelsreis was, en pas bij terugkomst hoorde dat hij gekozen was, en ook dan pas later beëdigd kon worden. Giften aan kerken en legaten geschonken door teuten, staven dat zij goed in de slappe was zaten, terwijl hun behuizingen van eenvoudige boerenerven langzaam veranderde in meer riante burgerwoningen, in het Vlaamse Openluchtmuseum te Bokrijk is een Teutenhuis uit 1731 afkomstig uit Exel te bewonderen.

Vrijwel zonder uitzondering, waren de Teuten katholiek, die voor geruime tijd hun Rooms-katholieke gemeenschap verlaten, om vreemd genoeg zich grotendeels veelal in een Protestantse streken zich te gaan bewegen. Omdat zij daar dan vaak hun zondagsplicht niet konden vervullen, door het ontbreken van een katholieke kerk of anderszins, moesten zij vaak grote financie­le offers brengen aan hun thuisfront, en deden dat doorgaans ook genereus. Aan het thuisfront werd elke zondag in alle plaatsen waar Teuten vandaan kwamen, onder de hoogmis Gods zegen gevraagd voor de buitengaanders, en een jaarlijkse feestviering na hun terugkomst werd plechtig gevierd, met als verplichting het offeren van een vijf frank stuk, en een tweede mis voor de overleden compagnons.

Omdat zij bijna allen uit alle windstreken in de winter terugkwamen naar huis en haard, meestal tussen St.Nicolaas en Kerstmis, werd in die periode de jaarlijkse mis gevierd, en werd aangekondigd door de pastoor met de woorden: De heerkens van zes weken zijn weer thuis, een uitspraak die in St.Huiberts Lille heel lang als een waarschu­wing gold, want tijdens de zes weken aanwezigheid, en de vele feesten die zij zich financieel konden veroorloven, liep het nog wel eens uit de hand. De uitdrukking, van de heertjes van 6 weken komt ook voor bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie, alwaar men op dezelfde manier waarschuwde voor de zeelieden, als zij terugkwamen uit de Oost. Vermoedelijk duurde het 6 weken alvorens men door zijn geld heen was, en weer op pad ging. De stille en schrale Kempen, Belgisch en Nederlands, was uitgegroeid tot een groot centrum van Europesche handel, dankzij vakkennis, eerlijkheid, werklust en onverschrokkenheid van de voerlui en later de Teuten.

Zij waren met hun nakomelingen de Burgerij van de Kempen, zij waren de Heren van de Kempen. (naar het woord van Senator Hubert Leymen uit België)

Dat er van die teuten zich ook blijvend gevestigd hebben, bijv. in Neder­land, bewijst de fam. op de Weegh / van der Weegh, die vanuit de plaatsen Zwartsluis en Oldemarkt zich over geheel Nederland hebben voortgeplant.

Ook de familienaam Slechten is in het Sallandse geen onbekende naam, zij komen oorspronkelijk uit Sint Huiberts Lille in de Belgische Kempen. Ook in Maar­heeze nabij de Belgische grens heeft zich een tak gevestigd met de naam op de Weegh, maar dat zal gelegen hebben aan verspreiding vanuit het nabij gelegen Klein Brogel en Eksel. Ook zijn er natuurlijk teuten die in den vreemde zijn overle­den, gemiddeld 1.5 per jaar en niet alleen de ouderen, zo ook Arnold Opdeweegh zoon van Nicolaas Opdeweegh en Maria Bloemen, die geboren en gedoopt in Klein Brogel 4 april 1755, is overleden op zijn missie op 1 maart 1772, nog net geen 17 jaar oud, met als plaats van overlijden Holland. Vermoedelijk wisten zijn medereizigers niet eens precies waar.

En ook zijn neef, toevallig ook een Arnold overleed in Zeeland op 9 november 1769, maar dat kan of de provincie maar ook het plaatsje Zeeland in N.Brabant zijn. De plaatselijke pastoor noemt dan ook regelmatig de overledenen, die in verre landen en oorden zijn gestorven, Sine Luce Sine Cruse, zonder kaars en zonder kruis.

De families op de Weegh en van der Weegh, die beiden van dezelfde stamvader afstammen, nl. Petrus Opdewege, de betekenis van de naam is, land gelegen tegen of aan een weg (dialect “weeg”). In 1844 was in Klein Brogel een huis met aangele­gen land en huisveld genaamd Weegh bewoond door een fam. Opdeweegh, maar hetzelfde goed is in 1577 ook al bewoond door Claes op die Weghe, ook al is niet bekend of dat familie van elkaar was. In België komen nog steeds mensen voor met de naam Opdeweegh en Vanderweegh, aaneen geschreven, terwijl in Neder­land geschreven is als op de Weegh en van der Weegh. In Nederland komen overigens momenteel ook Opdeweegh voor, die hun naam aaneen schrijven, ik zal U vertellen hoe dat komt. Een zoon met de naam op de Weegh ergerde zich mateloos in militaire dienst, dat hij steeds tot de W moest wachten bij de uitbetaling van zijn soldij, dat hij zich Opdeweegh ging noemen, en zodoende een ruk naar voren maakte, tot de O in het alfabet, na diensttijd bleef hij zijn naam zo schrijven, en dat is de reden. Op bete­kend gewoon wonend op het erf en goed de Weegh en van betekend gewoon komend van het erf en goed de Weegh.

Waar de naam Teuten vandaan komt, is niet duidelijk, het zou afkomstig zijn van tuiten of toeten op een hoorn om daarmee hun komst aan te kondigen, of van het Franse scheldwoord voor Teuton voor Duitsers, of van talmen bij het spreken of handelen dus teuten, maar dat laatste lijkt mij niet juist, een beetje handelaar is nu eenmaal een beetje rap van tong en van hande­len. Maar misschien is hun geheimtaal onderling wel de oorzaak van hun benaming, want voor niet verstaanders waren zij natuur­lijk maar raar aan het teuten, kortom een duidelijke verklaring is niet voorhanden.

Wat de betekenis van Teuten is, is nu wel duide­lijk, en ook de Dikke van Dale zegt over Teuten, volk van rondtrekkende koop­lieden, blikslagers e.d., afkomstig uit de Belgische Kempen. En naar deze handelslieden, is als eerbewijs de raadzaal van het stadje Peer genoemd, de Teutenzaal. Wij noorderlingen verstaan onder teuten, het praten, teuten over niets, en hopen dat in de raadzaal van Peer onze betekenis onbekend is en daardoor nimmer gebruikt is, alhoewel in de politiek weet je het maar nooit.

 n nu gelijkenissen tussen Duitse todden en Belgisch /Neder­landse teuten. Ook al zijn de meeste deskundigen het met elkaar eens, dat beide groeperingen niets met elkaar uitstaande hebben, ben ik van mening dat zij wel degelijk raakvlakken hebben.

De voerlieden uit de Kempen, vervoerden waren vanuit de Ant­werpse haven naar o.a. Bremen. Het is te gemakkelijk, om te beweren dat zij daarbij de lieden in het Tecklenburger land voorzagen van koopwaar, maar onmogelijk is het niet.

De Todden leurden hoofdzakelijk met linnen, lappen of todden in het dialect van ons Nederlanders, vandaar de naam. Ook marskra­mers met allerlei waren, hannekemaaiers als seizoenarbeiders, voor het maaien van gras en of andere gewassen in Holland of Friesland, scharensliepen, alles onder de naam Wanderhandel.

Zij zijn hoofdzakelijk afkomstig uit het noordelijk gedeelte van het Tecklenburger land, het gebied tussen Rheine en Osnabruck, met als voornaamste plaatsen, Mettingen, Recken, Ibbenburen, Schapen en Hopsten.

De Teuten leurden met koperwaren, handelden in boter, haren, en ook als marskramers, alsmede de dierenlubbers, castreerders van paarden, varkens etc.

Zij zijn afkomstig uit de Kempen, met als belangrijke plaatsen, de bank van Pelt, Luykgestel en Lommel.

Buiten de marskramers, die handelden in alles wat verhandelbaar was, zijn de overigen niet vergelijkbaar in hun handel, maar hebben beide groeperingen duidelijk hun eigen negotie, de teuten hun koperwaren, en de todden hun linnen.

De Teuten uit België en zuidelijk Nederland, en de Westfaalse Todden, hun Duitse collega’s, hebben meerdere dingen gemeen.

1e beiden groeperingen bedienen zich van een geheimtaal, ook wel kramerstaal genoemd, met in de kern duidelijke overeenkomsten, maar toch zijn beide niet onderling uitwisselbaar.

2e beide groeperingen komen uit een relatief klein en een economisch arm gebied, zij zijn dan ook gedwongen om elders een boterham proberen te verdienen.

3e zij zijn zonder uitzondering allemaal van katholieke huize.

4e zij komen allemaal op geregelde tijden weer thuis, om te helpen bij drukke oogsttijden, of in perioden van kerkelijke feestdagen, en zijn dus erg streekgebonden.

5e zij vestigen zich veelal na hun arbeidzame leven in hun eigen respectieve geboortestreek.

6e zij opereren hoofdzakelijk in kleine groepjes, in een goed onderling vertrouwen.

7e zij kennen elkaar ongetwijfeld, omdat hun handelswegen elkaar kruisen. De teuten van zuid naar noord, en de todden van oost naar west. Ook voerlieden uit de Kempen, brachten eind 15e en begin 16e eeuw via Twente goederen vanuit de Antwerpse haven naar bijv. de Noordduitse havens van voormalige Hanzesteden, zoals Hamburg, Lubeck etc.

8e zij zijn vaak de grondleggers van grote bedrijven, bijv. C&A, Lampe, Kreymborg, Voss, voortkomend uit de toddenhandel, en Unilever, en een gerenomeerd voormalig Deens handelshuis, alsmede een koperfabriek te Denemarken voortkomend uit de teutenhandel.

9e in Brabant worden de Todden, Teuten genoemd, en beschouwd als concurrenten.

10e in hun geboortedorpen in zowel België als Duitsland hebben de kerken er goed garen bij gesponnen, dat hun zonen in goeden doen waren geraakt, de kerken waren gezien het aantal inwoners, vaak wat aan de te grote kant.

11e van beide groeperingen hebben zich er een groot aantal blijvend gevestigd in Friesland, en in de kop van Overijssel, en zijn van daaruit over heel Nederland verspreid.

Het bewijst overigens niets met zekerheid, maar overeenkomsten zijn naar mijn mening wel frappant, en kunnen daarom niet alleen maar toevallig zijn.

Wel ben ik van mening dat onderzoek hiernaar, tot bijzondere conclusies zou kunnen leiden.

De toddenhandel begint ca. 1648, na het beëindigen van de 30 jarige oorlog, waar Graaf Mauritz van Tecklenburg de boeren in de omgeving had aangeraden om vlas te gaan verbouwen, en vervolgens zelf te gaan weven en verkopen. De boerenarbeiders die in het verleden veelal in Holland werk zochten en vonden als grasmaaiers en of turfstekers in loondienst, hielden het voor gezien, toen zij in de gaten kregen dat met de linnenhandel veel beter te verdienen viel, en gingen in de handel. Zij verkochten van toen af alleen nog maar linnen, eerst uit eigen streek, maar later uit andere streken waarvan de kwaliteit beter was. Deze Todden werden ook poepen genoemd, een verzamelnaam overigens voor alle Duitsers in die dagen. Menig dorp of stad heeft wel een buurt of huis, welke in de volksmond nog steeds de Poepershoek heet, daar waar veel Duitsers samenkwamen, of waar zich een handelaar blijvend gevestigd heeft. Op het hoogtepunt van de zogeheten Wanderhan­del, zo in het midden van de 18e eeuw, bracht het wel 30.000 mensen op de been. Ook de boerendochters uit Westfalen, ver­huurden zich uit pure noodzaak als dienstmeisjes in het welva­rende Amsterdam, waar zij de Geesjes genoemd werden, omdat zij thuis het zout in de pap nog niet konden verdienen. Uit andere aangrenzende gebieden kwamen in die tijd ook de grasmaaiers, bekend als Hannekemaaiers, turf-stekers, metselaars, steenbak­kers, stukadoors en timmerlieden. Ook vele scheepslieden kwamen onze kanten op, de laatste groep monsterde veelal aan op een Nederlands V.O.C. schip, en voeren daarmee naar Indië. Die Hollandgänger hadden vaak vaste routes en pleisterplaatsen, en gingen veelal in groepjes op pad, niet in de laatste plaats uit veiligheidsoverwegingen.

Allen kwamen bij de Lutte de Neder­lands-Duitse grens over, en vervolgden via Oldenzaal hun weg. De todden die naar Amsterdam wilden, liepen via Deventer en Amersfoort, en via Coevorden liepen zij die naar Friesland en de kop van Noord Holland wilden. Toen zij later in goeden doen geraakten, gingen zij veelal met de boot vanuit Zwolle, Kampen, Hasselt of Kuinre over het IJsselmeer naar Amsterdam en of Holland. Kozen de Mettingers hoofdzake­lijk voor Holland en Vlaanderen, de mensen uit Recke gingen meestal oostwaarts, naar Pommeren, Kiel, Lubeck en zelfs naar de Baltische staten en Rusland toe. Ook zij kwamen regelmatig terug in hun geboorteplaats, en bleven vaak s’ winters thuis. Na ca. 1750 breidden zij hun assortiment uit met o.a. ijzerwaren zoals messen uit Solingen alsmede kousen en mutsen. Eind 18e eeuw namen zij gezamenlijk voor zo’n 180.000 Reichstaler af, louter aan manufacturen. Niet alle todden verkochten voor eigen gewin, maar groothandelaars in bijvoorbeeld Pruisen rond 1787 hadden gemiddeld elk ca. 200 tot 300 pakkendragers in dienst, zetbazen zouden wij nu zeggen.

Die vaak op de onmogelijkste plaatsen in Europa hun goederen aan de man brachten.

Dat de boerendochters en zonen richting Holland gingen, is niet zo vreemd. Allereerst was Holland welvarend door zijn handel in Indië, maar de Oranjes afwisselend met de Tecklenburgse graven, maakten aanspraken over de Obergrafschaft Lingen, en daardoor was er een directe verbinding met de Nederlanden. Dat zij daarbij geacht werden de nieuwe leer aan te nemen, en hun eigen katholieke geloof af te zweren, legden zij gewoon naast zich neer, hun saamhorigheid en verzet tegen de nieuwe leer wonnen het glansrijk. Vanuit datzelfde saamhorigheidsgevoel, organi­seerden zij zelf ook gemeenschappen, die pakhuizen bouwden en pakkendragers in dienst namen die hun koopwaar uitventten. Die pakkendragers mochten van elk verkocht stuk, 5 % houden, en konden van de groothandelaar ook geld lenen, waarover een rente van 10 % betaald moest worden.

De todden stonden in Duitsland niet erg hoog aangeschreven, maar in Holland waren zij gekleed in een lange jas en getooid met een hoge hoed, en op hun rug een pak van zo,n 30 tot 40 kilo aan goederen, gewaardeerde handelaren. In de vele herbergen op de routes die zij aande­den, stonden dan ook voor hun altijd klaar, een rij pantoffels en lange Goudse pijpen.

Zoals gezegd, vele grote zaken zijn uit die Toddenhandel voortgekomen, Carl & August Brenninkmeijer begonnen in 1790 hun eerste C&A winkel in Sneek, en Herman Lampe opende in Bolsward zijn eerste winkel.

Ook Twente, en in mindere mate de Achter­hoek, kwamen in aanraking met de textiel. Ook hier begonnen als huisweverijen, kwam hier niet de ambulante handel op gang, maar de industrialisering. In beide gebieden hadden op het hoogtepunt van de industrialisatie in Duitsland ca.30.000 mensen en in Nederland ca.44.000 mensen een goed belegde boterham. Rond de 1e wereldoorlog hield de Todden­handel op te bestaan, en in de jaren 60 en 70 van deze eeuw stortte de textielindustrie ineen, door o.a. verplaatsing naar de lage lonenlanden. Als overblijfsel bleven, de overbekende figuren die elk dorp of streek wel kennen, die met hun handeltje probeerden om elastiek, veiligheidsspelden etc. aan de man te brengen, maar ook zij hebben inmiddels al een aantal jaren geleden het veld moeten ruimen, omdat uitkeringen aan hen uitgekeerd, de noodzaak om een eigen bedrijf? te runnen, niet meer noodzakelijk was. Ook bleven de grote textielfabrieken, die of vaak een museale bestemming kregen, of door afbraak grote gaten achterlieten in bestaande bebouwingen, om al dan niet opgevuld te worden met parken en of woningbouw.

Dat de banden van oudsher goed zijn, bewijzen de verschillende partnerbanden tussen de gemeenten Ommen met Recken, Hellendoorn met Ibbenburen, Raalte met Mettingen, en Markelo met Schapen.

Saillant is overigens ook, dat in het gebied van de todden de steenkoolmijnen ook een bron van inkomsten zijn geworden, zelfs tot op de dag van vandaag, worden daar steenkolen naar boven gehaald, en draaien de grote mijnwielen hun piepend ritme.

Als laatste wil ik een voorval noemen, schrijvende op 13-8-1997, en uitbreidend met aanvullende gegevens voor bovenstaand artikel op ons vakantieadres in Hongarije, worden wij aange­sproken door een keurig in driedelig pak gestoken verkoper bij dik 30 graden, met op zijn rug een groot kartonnen pak met daarin allerlei pannen en potten. Niet van koper, maar van glanzend edelmetaal. Wij geven hem te kennen, niet van zijn aanbiedingen gebruik te willen maken, en hij stapt welgemoed verder de heuvel af. Onder aangekomen stapt hij in een klaar­staande auto van voormalig Oost-Europese makelij een Trabant, met daarin een chauffeur, onze verkoper en 3 vrouwen in bonte kleding, met ravenzwart haar en felle hoofddoeken op en grote gouden ringen in de oren. Al ronkend en knetterend, dat merk waardig, vertrekken zij naar andere eventuele afzetgebieden. Zij zijn duidelijk geen afstammelingen van voornoemde Teuten of Todden, maar het voorval was wel curieus.

 Anton G.M.Heijmerikx, Lathen/Wijhe

Bronnen en literatuur.

Mertens J./ Handel en wandel van teuten in Duitse gewesten

Knippenberg W.H.Th./ De Teuten Buitengaanders van de Kempen

Arie v.d.Lugt/ De Koperteuten

Klaas Goinga/ Todden trekken door Twente

Klaas Goinga/ De todden achterna

Herman Hannink/ Een huis met een verhaal

Els M. Jacobs/ De Vereenigde Oost Indische Compagnie

Historisch Centrum Overijssel

Rijksarchief Hasselt België

Rijksarchief s’Hertogenbosch

Tottenmuseum Mettingen Duitsland

Archief Anton G.M.Heijmerikx

8 Comments

  1. Laszlo Paulusz
    augustus 25, 2007

    Beste,

    Met veel interesse en groeiende verbazing heb ik Uw artikel over “de teuten� gelezen. Uiteraard had ik als Limburger hier al vaker over gehoord. Maar door Uw schrijfstijl kwamen bepaalde details zeer boeiend over. En die hebben toch enkele frappante gelijkenissen naar boven gebracht.

    Mijn vader is van Hongaarse afkomst. Enkele jaren geleden vertelde ik hem in het bijzijn van een verre neef over een ontmoeting met een zekere Laszlo Toth (zoals toevallig nu ook een speler van KRC Genk). Beiden begonnen spontaan te lachen en vertelden dat dat zeker een Hongaar was. Volgens hun was een Toth namelijk een soort marskramer, een pannenlapper, die aan de kost kwam door het repareren van pannen en ook gebroken ruiten. Mijn vader wist dit redelijk gedetailleerd te vertellen omdat zijn grootvader een “Toth� was die in de buurt van de Hongaars–Tsjechischegrens rondtrok. Dus het laatste stukje uit Uw artikel dat deze heer in keurig driedelig pak niets met de Teuten te maken heeft zou wel eens verkeerd gesteld kunnen zijn.

    Ook frappant is dat mijn grootvader, de zoon van een Toth dus, burgemeester was van een klein dorpje op de Hongaars-Oostenrijksegrens.

    Mijn achternaam is Paulusz, met sz. Ik vind persoonlijk de uitleg dat dit de afkorting is van Pauluszoon de meest logische. Mijn vader daarentegen blijft halsstarrig volhouden dat dit een fout was op de registratie bij een geboorte omdat het origineel Pavlusz zou geweest zijn. Uw verhaal over Teuten, dat die tot in Hongarije actief waren en dat mijn overgrootvader een Toth was nopen mij echter weer eerder om te geloven in Pauluszoon.

    Een kronkel van het lot heeft er voor gezorgd dat mijn vader nu in Kleine-Brogel woont. Hij is en blijft een sjacheraar. Zijn vader was zoals gezegd een burgemeester met veel aanzien. En wat mij betreft. Ik kan slechts één ding: verkopen en handel voeren. Jaja, bloed kruipt waar het niet gaan kan.

    Ik vond het wel leuk om deze frappante gelijkenissen met U te delen.

    Vriendelijke groeten,

    Laszlo Paulusz

  2. Veltema Boukje
    augustus 31, 2007

    geachte meneer/mevrouw
    Ik schrijf een “Diplomarbeit” over “Wanderhandel im europäischen Vergleich” en mijn vraag is of u over de Teuten een paar Kopien uit tijdschriften voor mij heeft. Ik kan u het geld daarvoor sturen. Het zou heel fijn zijn.
    met vriendelijke groeten:
    Boukje Veltema,

  3. Luc Van der Straeten
    februari 9, 2008

    Met veel aandacht las ik je wzek over de teuten.
    – Passen de personen met de naam Ketelslegers (en aanverwanten) hier ook in?
    – Alle personen met deze naam of familieleden mogen me kontakteren.

    Luc

  4. Leo Bijvoet
    mei 19, 2008

    Namens de familie Buijyvoets, nakomelingen van teuten uit Over- en Neerpelt, onze complimenten voor het teutenverhaal.
    Uit onze stamboom op de website http://www.bijvoet.org blijkt duidelijk dat onze familie in de Noordelijke Nederlanden nakomelingen zijn van teuten uit Over- en Neerpelt. Een compagnie (familie) is neergestreken in Wymbritseradeel (Friesland), een ander in Spanbroek (West-Friesland).
    De teut in uw verhaal die verwend werd in de herberg met pantoffels en een Goudse pijp is duidelijk een van oze voorvaderen. Het beviel hem hier zo goed dat hij de dochter van de herbergier trouwde.

  5. ruud van aart
    december 8, 2008

    Vraag:
    Zou “tater” iets met de teuten te maken kunnen hebben? Ik ben op zoek naar de verklaring van de naam Taalstraat, de Taalstraat was vroeger de Taterstraat in Vught. Denk ook aan Teteringen. Tater komt in Vught in de veertiende eeuw voor. Uit de Dordrechtse stadsrekeningen van de dertiende eeuw kennen Tater als persoonsnaam. Weet iemand meer?

  6. Marie-christine van den Enden
    december 25, 2009

    U schrijft dat er een teutenbeeld in Luyksgestel staat, dat is correct,
    maar de carnavals vereniging de Teuten komt uit Bergeijk en ook de teuten-markt.

    In juni 2010 gaan wij in het openlucht theater in Luyksgestel een stuk over teuten spelen. Komt het zien komt het zien.

  7. Michelle Bruynseraede
    januari 20, 2011

    Beste,

    gezien mijn grootmoeder de “tatertaal” beheerst ben ik op zoek gegaan naar wat meer informatie hierover, voornamelijk over de “grammatica” van de taal. Mijn grootmoeder spreekt deze taal wel, maar kon mij niet juist zeggen op welke manier de woorden worden gevormd… Heeft iemand hierover misschien wat meer informatie? Ik geloof dat het gedeeltelijk bestaat uit het omkeren van lettergrepen en aan het begin of einde van het woord nog extra klanken toe te voegen (zo is “spreken” in het taters “okenspre”)

    Vriendelijke groetjes,

    Michelle Bruynseraede, Maaseik

  8. KOK. H.L.
    januari 5, 2014

    U geeft aan dat in 170 C&A een opslag opende in Sneek.
    De familiekroniek van Brenninkmeyer geeft aan:

    Mettingen: 1818 Clemens en 1819 Auust geboren.
    In 1841 opslag en pettenwinkeltje in Sneek.

    Hoe klopt dit ?

Geef een reactie