heijmerikx.nl

Information

This article was written on 28 mei 2007, and is filled under Salland regionaal.

Current post is tagged

,

De Overijsselse Watersnoodramp van 1825

Leonard van der Weegh, die gehuwd was te Zwartsluis op 29-4-1813 met Catharina van Schaften, had begin 1825 nog 5 kinde­ren in leven, 2 waren er in 1824 jong overleden, en zijn vrouw was hoog zwan­ger van de 8e, welk kind Maria op 1-2-1825 werd geboren.

Datzelfde kind is in de nacht van 4 op 5 februari overleden en vermoedelijk verdronken bij de dijkdoorbraak in Zwartsluis, ook zal het gezin dakloos geworden zijn en mede daardoor is het vertrokken naar elders. Dat elders is Raalte geworden, waar talrijke nakomelingen tot op heden nog steeds wonen. Waarom de keuze op Raalte gevallen is, is niet duidelijk terwijl Oldemarkt waar zijn broer Arnol­dus woonde meer voor de hand gelegen had, ware het niet, dat ook daar de storm danig huis gehouden had.

Aardig is wel, dat de bijnaam van de vele familieleden, tot op heden ten dage bekend is als “Leendert“, en eigenlijk afkomstig is van Leonard of in de volksmond, Leendert. Zijn zonen stonden in Raalte bekend als de Leenderts vente, vandaar. Beide broers kwamen uit Klein Brogel ten zuiden van Eindhoven tegenwoordig Belgie, uit het Arrondisement van Hasselt.

Hieronder het verhaal van de watersnoodramp zoals dat is opgetekend in verschillende bronnen.

De aan zee gelegen streken van Overijssel werden in de nacht van 4 op 5 februari 1825 door een watersnoodramp van ongekende omvang getroffen. Grote delen van Overijssel tot in Dalfsen Heino en Wijhe toe werden onder water gezet.

In Oktober van 1824 was een eind gekomen aan een bijzonder fraaie zomer, en opgevolgd werden door beruchte en zware najaarsstormen.

Welke storm op 14 en 15 november het water over de dijken deed slaan en het door de straten stroomde. De vooruitzich­ten waren droevig, maar gelukkig bedaarde de wind s’middags en liep naar het noorden. Maar toch bleef de toestand zorgwek­kend, want wind en storm bleven de kusten teisteren, waardoor de bodem en de dijken doorweekt waren, zodat gevreesd moest worden bij elke nieuwe aanval vanuit zee.

Op woensdag 2 februari 1825 stak een nieuwe zware noordwester storm op, die het zeewater tot ongekend hoogte liet stijgen, en er kwam geen eind aan. De hoge waterstand die daarvan het gevolg was, mede het gevolg van de eveneens volle maan, ver­oor­zaakte een stuwing in de Zuiderzee vanuit de Noordzee.

Op vrijdag 4 februari werd op het eiland Schokland een water­stand gemeten, die ruim drie meter boven de normale gebruike­lijke waterstand lag. s’ Morgens tussen 6 en 7 uur was de eerste dijkdoorbraak, de Bentdijk even ten zuiden van Vollenhove. Omstreeks 10 uur braken de dijken bij Zwartsluis, een binnen de plaats tussen de schans en de buitenkwartieren, en een tweede aan het westelijke einde, waardoor het water met grote kracht binnen­stroomde. Toen men de kerk en een school ontruim­de om voor het bergen van vee te dienen, had men de ijdele hoop, dat het water niet hoger zou stijgen dan in 1776, maar deze misreke­ning had voor velen grote gevolgen. In de loop van de dag braken er nog vele dijken door, met gevolg dat zoals gezegd grote delen blank kwamen te staan. In de loop van 5 februari begon het water wederom te zakken, maar groot was de ravage welke te­voorschijn kwam. In Zwart­sluis waren elf mensen verd­ronken, ondanks hulp van o.a. schipper Jan Morra, hierover later meer, alsmede ruim een kwart van alle runderen ruim 270 stuks, 11 paarden en 5 scha­pen.

In totaal waren 45 huizen geheel weggespoeld of inge­stort, 30 woningen onbewoonbaar geworden en 160 ernstig tot zeer ernstig bescha­digd. Zo’n 300 mensen waren dakloos gewor­den, op een bevolking van ruim 2500. Ook de schade aan bedrij­ven was groot zoals de kalkovens en de timmerwerven en bedroeg ruim F100.000 een voor die tijd ongekend hoog bedrag.

Ook in Oldemarkt hield de watersnood deerlijk huis en de toestand was zonodig nog erger dan in Zwartsluis, want hier kwamen 17 mensen jammerlijk in de golven om en verdronken ruim 500 runderen, 30 % van alle runderen.

De Lendedijk, onder deze gemeente was door de storm eind 1824 deerlijk verzwakt en gehavend, en in januari voor 55 el onder­gelopen maar in februari 1825 bijna weer drooggevallen.

Te Ossenzijl ontwaarde men de 4e februari s’ morgens om 6 uur­, een sterke stroom oostwaarts lopend welke in twee uur tijds 1 el steeg. De ingezetenen aldaar vluchten naar hoger gelegen gebieden, op zolders en daken van huizen vanwaar zij de 5e februari toen de wind enigszins luwde met vletten naar Olde­markt vluchten. Te Kalenberg langs de vaart naar Ossenzijl stonden alleen lage huizen en tenten van vissers, die geluk hadden dat zij vaartuigen bezaten, zodat zij een goed heenko­men konden vin­den, maar het vee dat zij bezaten verdronk jammerlijk. Zij werden door de wind naar IJsselham gedreven. In Ossenzijl werd een woning een prooi der vlammen, aangewak­kerd door de wind, en de bewoners konden niets anders doen, dan in het water sprin­gen, waar zij jammerlijk verdronken, ook twee bejaarde lieden dreven weg op de kap van hun huisje en zijn jammerlijk ver­dronken.

Te Kalenberg, waarvoor men te Oldemarkt grote vrees had, viel de schade uiteindelijk mee, omdat het tilland zogeheten begroeiing welke heden ten dage nog steeds drijft op het moeras­water, mee omhoog kwam bij de overstroming, en zodoende de golven braken en het achterliggende gebied redelijk beschermd werd, en de huizen wel onder water verdwenen, maar er redelijk ongeschonden wederom uit te voorschijn kwamen, terwijl de bewoners waarvan de meesten punters bezaten, vluchtten naar hoger gelegen huizen, op een gegeven moment 39 mensen twee dagen op een zolder moesten verblijven. Zodra de storm minder­de vertrokken zij naar Paaslo het hogere ge­deelte van Steen­wij­kerwold.

Te Kalen­berg kwam mede daardoor geen mens om het leven.

IJsselham daarentegen had volstrekt niets dat het kon beveili­gen en ondanks dat de huizen hoger staan dan in Kalenberg, beukte het water hier vele huizen stuk, het vee verdronk voor het grootste gedeelte, en het hele gebied van IJsselham kwam, op een klein gedeelte na, onder water te staan.

Op het hoogste punt in Ossenzijl in Herberg de Hoop stond het water 1 el (1 el is 69 cm.)en op de laagste gebieden 2.6 el. Zolang de zware storm bleef aanhouden was het niet mogelijk om in de laagste gebieden hulp te bieden, maar zodra de wind afnam beijverden velen zich die met een vaartuig konden omgaan om daar te redden wat er te redden viel.

Een man met twee kinderen werden te IJsselham van een hooimijt gered, zijn vrouw en nog een dochter waren de vorige dag om op het hooi te geraken, jammerlijk verdronken.

Een ander gezin met 5 kinderen werden van hun weggedreven dak van hun huis ge­plukt, waarop zij ruim 30 uur gezeten hadden zonder enig voedsel.

De Overijsselse gede­puteerde Johan ter Pelkwijk schreef in 1826 een “Beschrijving van Overijssels watersnood”, en van de opbrengst werd een gedeelte van de nood gelenigd.

Ook is een met potlood geschreven verslag van schipper Jan Morra, die ik al noemde, bewaard gebleven hij schrijft het volgende.

In het laatst van januari 1825 werd ik door Cornelis Meijer, metselaar te Medenblik, bevracht om van Kampen steen, en van Zwartsluis kalk te halen. Den 31 januari ging ik met gemeld oogmerk op reis, aan boord hebbende Corn.Meijer, Pieter Vos, bakker te Medenblik, en enen knecht Egbert van de Zande.

Nog diezelfde dag kwamen wij met goed weer te Kampen aan en waren op de 3e februari met steen bevracht. Op aanzoek van Corn.Meijer besloot ik, hoewel het die dag reeds stormweer was, naar Zwartsluis te gaan, dat wij omstreeks 3 uur die middag bereikten. Omstreeks 6 uur meerde ik bij de kalkovens af, en maakte de tros vast aan de meerpaal die in het water en 12 voet in de grond stond. In de nacht daarop volgend werd gemelde paal uit de grond gerukt, en raakte ik met de zandschuit op drift.

­Om aan de wal kleine vaartuigen, die op de wal lagen geen schade toe te brengen, liet ik maar het anker vallen en haalde s’morgens 4 februari de wal. Korte tijd had ik daar gelegen, toen ik genoodzaakt werd, zoo door breken van de dijk, dat omstreeks 12 uur s’middags gebeurde, als door het onderbreken van de wal, mij van daar te wenden en mijn anker weder in het midden te laten. Allengs waste het water, zodat van 3 uur na de middag de huizen daar waar ik lag , tot aan de daken in hetzelf­de stonden. Veel vee verdronk en de mensen waren niet in de mogelijkheid zich zelve te redden. Omstreeks deze tijd zag ik een stok, waaraan een witte doek gebonden was uit het dak steken van een der huizen. Op dat noodsein sprong ik vergezeld van bovengenoemde personen in de boot en hoewel het door storm en wind niet zonder gevaar was, gelukte het mij de mensen, zijnde een grijsaard van 91 jaar, een vrouw en twee kinderen aan boord te krijgen. Aandoenlijk was het kermen van hen die in nood waren en hierdoor aangespoord deed ik pogingen om hoewel het gevaar voor ons steeds groter werd, om meerdere mensen te redden. Allereerst haalde ik daarop 3 mensen van een huis, dat ten dele reeds ingestort was, zodat zij zich op een hoek die 8 voet groot was, moesten behelpen. Gelukkig dat zij in de boot waren, want pas had ik uit de nabijheid geroeid , of het viel geheel in. Met zeer veel moeite veroorzaakt door de verschrik­kelijke storm, gelukte het ons verder een man, vrouw en twee kinderen uit een boom te halen, waarbij het water zo hoog stond, dat zij reeds met de voeten in het water stonden.

Daarna redde ik een kraamvrouw en een vrouw, die toen zij aan boord was, in arbeid geraakte. Laatst genoemde bracht ik met meerdere personen aan de schans aan wal. Vervolgens redde ik een man vrouw en drie kinderen alsmede 4 kalveren. Om kort te gaan het gelukte mij om 62 mensen in leven te houden, die anders gewis in het water een hun graf hadden gevonden, even­als 18 mensen die ik niet heb kunnen redden. De 5e februa­ri kwam burgemeester van Zetten bij mij aan boord, door wiens toedoen ik eten kreeg totdat ik de mensen weer aan land kon zetten en ik mijn reis naar Medenblik kon aanvangen, hoewel ik op dat ogenblik, genoodzaakt was, om mijn schip in handen van een ander te geven, daar ik door de inspanning en ontbering ziek van vermoeidheid was. Zijn Ed. de burgemeester van Zwart­sluis heeft mij van dit een en ander certificaat gegeven, dat ik in 1829 reeds heb opgezonden, voor zooveel ik mij kan herinneren heeft dit in oktober van vermeld jaar plaats gehad.

(was getekend) Jan Morra.

Anton Heijmerikx, Lathen


Colofoon: HCO Zwolle

Overijsselse watersnood door J.ter Pelkwijk

2 Comments

  1. Monique
    september 26, 2010

    Dag Anton,

    Ik ben bezig met een zeer uitgebreid stamboek van mijn voorouders, van zowel mijn vaders als moeders kant.
    Eigenzinnig als ik ben, wil ik ook graag weten wie mijn stammoeders waren. Of beter gezegd: ál mijn voorouders. Ik heb er inmiddels heel wat getraceerd. Bij onderzoek naar H(A)nna van de Weegh gehuwd met Jannes Ophof stuitte ik heel toevallig op jouw site en het verhaal over Leonard van de Weegh (een over-over-grootvader van mij) en zijn gezin die Zwartsluis moest ontvluchten vanwege overstroming.
    In onze familie bestaat de mythe dat onze voorouders van Schokland zijn ‘verdreven’ in verband met het water. Welaan, blijkbaar zit er een kern van waarheid in, zoals met mythes natuurlijk altijd het geval is. Alleen is het niet Schokland en die voorouder in kwestie waar de mythe over gaat, maar de lijn Van de Weegh, die uit Zwartsluis naar Raalte is getrokken. Via zeer waardevolle informatie van jouw site ( met name dat Leonard van de Weegh uit Belgie komt), heb ik nog vier generaties vóór Leonard kunnen vinden. Tot aan Petrus op de Weegh en zijn vrouw Maria Steynen wonend te Kleine Brogel in België. Geweldig!!!
    Ik neem aan dat je die informatie al zelf hebt, zoniet dan kun je me mailen.

    Hartelijke groet,

    Monique

  2. Ben Ophof
    oktober 20, 2010

    Monique,
    Jannes Ophof is een over-over-grootvader van mij.
    Ik wil graag iets meer weten over de stamboom van Van de Weegh. Kun/wil je me daaraan helpen?
    Bij voorbaat dank.
    Ben Ophof

Geef een reactie