heijmerikx.nl

Information

This article was written on 01 apr 2007, and is filled under Religie.

Rondom de dood.

Rondom de dood en het begraven, doen vele verhalen de ronde, en is voor velen het onderwerp op zijn minst beladen.

Een ding is met zekerheid vast te stellen, eenieder zal het eens overkomen. En al wat er dan rest, zal na een aantal jaren ook verdwenen zijn, tenzij de persoon bij zijn of haar leven iets heeft gepresteerd of iets heeft betekend voor anderen waardoor zijn nagedach­tenis blijft leven.

Zo niet, dan misschien alleen een vergeelt gedachtenisprentje in een vergeten sigarendoosje of niet meer gebruikt kerkboek.

In het verre verleden begroeven in onze lage landen de Trech­terbekervolkeren hun doden in Hunebedden. De meeste Hunebedden lagen in Oost-westelijke richting, evenals later de middel­eeuwse kerken, naar de opkomende zon gericht, met de ingang aan de zuidzijde en een drempelsteen in de toegangsopening.

De kelder van een hunebed is een donkere rechthoekige ruimte en geplaveid met veldkeien. Op deze vloeren werden de doden bijgezet in gehurkte, zittende of liggend, met geschenken die zij meekregen in de vorm van barnstenen kralen en bekers in trechtervorm, vandaar hun naam, gevuld met voedsel zoals granen en vlees. De meeste hunebedden in Nederland komen wij tegen in Drente in het veengebied, en dat veen is er de oor­zaak van dat er door uitloging (ontkalking) weinig of niets overbleef van de beenderen. Maar doordat er bekers meegingen, kan men bijv. in het hunebed bij Havelte aan de hand van scherven vaststellen dat er ca. 600 bijzettingen hebben plaatsgehad, en in Drouwen ca. 400. De meeste doden werden gebonden en gehurkt weggezet, de reden was vermoedelijk, om ieder in embryonale houding mee te geven om de wedergeboorte te bespoedigen, maar aannemelijk is ook, omdat dat de minste ruimte in beslag nam, en het gebonden was omdat men bang was voor boze geesten en zodoende de geesten vasthield aan de plaats, bekend is ook dat men de voeten eraf hakte om zo de geesten het lopen te bemoeilijken, terwijl men door grote stenen voor de uitgang te rollen zodat de grafkelder tevens een gevangenis was. Toch heeft eeuwenlang de gedachte voortge­leefd dat het hunebed de plaats van de wedergeboorte was. In Friesland, in Bergum, kende men de poppesteen (poppe is Fries voor kind), daar waar ouders hun kinderen onderuit haalden, na onderzoek bleek deze steen een deksteen van een vernield hune­bed te zijn.

Ook in Frankrijk kent men van deze stenen. Elders haalde men kinderen uit de boom, of de boerenkool. Als kind geloofde je daar heilig in.

Veel hunebedden zijn in de loop van vele jaren vernield, er zijn er zo’n 54 over waarvan er velen min of meer beschadigd zijn. Al in 1734 vaardigde de landdrost van Drenthe een plakkaat uit waarin vernielingen verboden waren, in 1790 herhaalde dat zich, maar het heeft weinig geholpen, men liet de stenen met buskruid springen om ze bijv. te gebruiken voor de aanleg van Zuiderzeedijken, Meppel had zelfs een steenmarkt waar de stenen met scheepsladingen verhandeld werden, en pas in 1918 als de overgebleven hunebedden rijks­mo­nument werden, hielden de vernie­lingen op. Een van de mooiste overgebleven hunebedden is de Papeloze kerk te Schoonoord, die zijn naam te danken heeft aan de hagenpreken tijdens de reformatie, want staande op de enorme stenen van het hunebed, had de predikant uitzicht over de omgeving en kon onraad van verre zien aankomen.

Ook het meegeven van geschenken, of het brengen van geschenken naar het graf is zo oud als de mensheid zelf.

In de hunebedden gaf men in bekers voedsel mee, en sieraden waren ook heel gewoon, tot op de dag van vandaag. In Assen is een halssnoer van ca. 1500 voor Christus gevonden met onderdelen afkom­stig uit vele delen van de wereld, het bewijs dat er ook altijd handel gedreven werd. Ook de vele bloemen zijn het bewijs dat heden ten dage nog geschenken naar de graven ge­bracht worden.

Bekend is dat in Zwolle een zigeunerkoningin begraven ligt, waar elk jaar vele leden van de zigeunerstam kwamen die er tezamen een glaasje nuttigden, en de begraven koningin mee lieten drinken door flessen drank over het graf leeg te gieten, de bevolking van de stad zei later, dat als zij niet dood was, zij er vast verdronken moest zijn gezien de hoeveelheid lege flessen die achterbleven.

Ook Manfred Lange, eigenaar van de hoofdstedelijke discotheek de “It”, liet bij zijn begrafenis welke zijn weerga niet kende, eenieder een flesje drank legen, en liet iedereen het lege flesje in het graf gooien, anno 1995.

En in het bijzonder de begraafplaatsen in Duitsland, Oostenrijk en Italië staan bekend om hun onderhoud en zijn vaak overdekt met bloemen.

Bij de intrede van het christendom verdwenen de grafgiften plotseling, omdat de kerk die gewoonte heidens noemde en het vervolgens verbood. .

Maar bisschoppen kregen vervolgens wel hun bisschopsring en hun staf mee in het graf. In de oudheid was men van mening dat alle mannen met hun eigendommen verbrand moesten worden, later veranderde men dat om economische rede­nen in het meegeven van enkele stukken of verving men dingen voor minder kostbare zaken zoals bij de Chinezen, waar in het begin zelfs terracotta paarden en hele aardewerken legers mee begraven werden.

Ook lijkverbrandingen komen over een lange periode voor van ca. 1100 voor tot ca. 800 na Christus, in Nederland zijn vele grote urnenvelden gevonden uit verschillende perioden.

Wanneer bij de Germanen de overledene was vermoord verscheen de oudste zoon als bloedwreker, met ontbloot zwaard sloeg hij bij de brandstapel op de grond onder het roepen van wraak. Als de dader onbekend was, bracht men alle verdachten bij de baar, waar de vermoorde geheel naakt lag opgebaard, eenieder moest een van tevoren vastgestelde formule uitspreken en daarbij de wonden, de navel of een ander lichaamsdeel aanraken, hij die de wonden opnieuw liet bloeden, of het lijk liet bewegen, of het lijk schuim op de mond kreeg, of van kleur deed verande­ren werd voor schuldig gehouden. Dat dit baarrecht eeuwen­lang werd gebruikt om de moordenaar te laten bekennen, kwam door de preventieve werking en het schokeffect van confronta­tie en aanraking waardoor menig moordenaar vroegtijdig beken­de.

In bijna alle middeleeuwse kerken werd begraven, al was dat uit het oogpunt van godsdienst gezien onlogisch. De kerk was en is een geheiligd gebouw, en die gebouwen werden zuiver gehouden en zouden vrij gehouden dienen te worden van alles wat dood en dus onrein was. Financiële motieven hebben uitein­delijk de door­slag gegeven boven idealistische motieven.

Toen het Christendom in Rome tot bloei kwam, had men geen enkele traditie wat het begraven betreft, de Romeinse wet stond zowel begraven als crematie toe, maar men verkoos niet de gewoonte van de heidense Romeinen, maar voor het begraven zoals de joden dat ook deden, daarbij speelde zeker een rol dat Christus ook begraven was, en uit zijn graf was opgestaan.

Ook tijdens de vervolgingen in het oude Rome, waarbij er geen vrijheid van godsdienst was, maar begrafenisverenigingen boven en ondergronds vormden daarop een uitzondering, en stonden onder bescherming van de wet, en daar was men vrij van iedere vervolging.

Het opkomend Christendom heeft gebruik gemaakt van die wet, door in de catacomben (ondergrondse begraafplaatsen) samenkomsten te organiseren, en werd de onreine dode een geliefde dode die men vereert.

Na de bekering van Constantijn de Grote in 313 vaardigde hij wetten uit, waarbij de vervolging van de christenen ophielden, maar waarbij de verering van de martelaren tot grote bloei kwam, en het de gewoonte werd om een altaar boven het graf van een heilige of martelaar te bouwen waarbij men de andere doden simpelweg opruimde en in een massagraf begroef. Door het heilig graf werd de kerk simpelweg een geheiligd gebouw. In Nederland is alleen in Maastricht een kerk, waarbij het altaar boven het graf van een heilige is gebouwd, de St. Servaaskerk, waar St.Servatius de bis­schop van Tongeren overleden in 384, begraven ligt.

De verplichting tot het begraven van de doden is ingesteld in 785 tijdens het concilie van Paderborn, waar in 34 regels de Frankische heerschappij werd opgelegd, en waar het Christendom staatsgodsdienst werd en alle oude gebruiken en godsdiensten bij wet verboden werden. Enkele regels waren, indien iemand naar heidens gebruik het lichaam van een gestorven mens verbrandt en zijn gebeente terugbrengt tot as, wordt hij gestraft met zijn hoofd, met andere woorden, koppie eraf.

Nog een regel was, wij bevelen dat de lijken van christelijke Saksen naar de begraafplaatsen van de kerk worden overgebracht, en geenszins naar de heuvels der heidenen.

Omdat in de nabijheid van relieken vrome en ook magische speculaties werden verbonden, ontstond de gewoonte om hoge geestelijken zoals bisschoppen, kloosteroversten e.d. te begra­ven in de crypte de meest geheiligde plaats onder het hoofdal­taar, vorsten en andere hoogwaardigheidsbekleders eisten ook een dergelijk privilege, en kerkelijke leiders konden niet weige­ren omdat benoemingen van kerkelijke leiders gedaan werden door wereldlijke leiders, van dorpspastoor tot pausen toe.

Begraven in de kerk werd daarom een grote bron van inkomsten, met geld kocht je nu eenmaal de beste plaatsen. Karel de Grote was een fervent tegenstander van begraven in de kerk, hij ver­bood in 809 het begraven in de kerk, en het concilie van Mainz in 813 besloot dat het verbod van de keizer gehoorzaamd diende te worden, maar toen hij overleed op 28 januari 814 was hij het die in de kerk begraven werd in een Romeinse sarco­faag.

Het leven in die dagen was kort en de dood stond er midden in als een machtig heerser, en eenieder werd er vrijwel dagelijks mee geconfronteerd door ziekte, epidemieën, de terechtgestelde bij de stadsmuur die vanzelf van de galg vielen door verrotting en de daarmee gepaard gaande stank welke over de stad trok, verminking ziekte enz. en voor weinigen was het wegge­legd om de leeftijd van 40 jaar te bereiken. De kerk preekte over dood en verderf, en de pest die erg veel dood en verderf bracht, werd gezien als een toorn gods, en alleen bidden, misoffers en boetedoening waren het redmiddel.

De pest roeide in het midden van de 14e eeuw, 1/3 der mensheid uit, circa 20 miljoen mensen. Dit gegeven hebben wij te danken aan Michel Piaza, een priester uit Sardinië die dat opschreef ca. 1347.

Dat het grote gevolgen had, kan men raden, de hele toenmalige wereldeconomie raakte ontwricht. Hele volksstammen raakten op drift, en diegenen die het zich financieel konden permitteren vertrokken ook. Leiding werd er vrijwel nergens meer gegeven, angst en geweld, en vooral de sterkste eerst, het gehele machtsysteem raakte danig verstoord, en dat overal, wereldwijd.

In die tijd kwam de pest als een epidemie vanuit midden Azië naar Europa, handelsschepen brachten de ziekte mee. Het duurde tot ver in de 19e eeuw, eer men kon bewijzen dat ratten en vlooien de ziekte over brachten.

En niet de joden, die al eeuwenlang de schuld hiervan kregen, en er ook voor omgebracht werden. Als schepen in een haven binnenliepen, en het vermoeden ontstond dat er pest aan boord heerste, dan moesten zij ogenblikkelijk weer vertrekken, en men moest maar zien hoe men het op open zee oploste. Dat lukte uiteraard niet, en zo’n schip en bemanning zag men dan meestal ook nergens meer terug. Maar had men eenmaal de ankers uitgegooid, en de touwen aan wal gebracht om aan te leggen, dan was men in de regel al te laat. De ratten en ook de vlooien hadden dan al vaak kans gezien om via het touw aan wal te komen, en een exemplaar was voldoende om de ziekte razendsnel om zich heen te laten grijpen.

De pest kwam regelmatig terug, meestal in een cyclus van zo’n 20-30 jaar, maar gelukkig nimmer meer zo massaal.

In de 13e eeuw bestonden er Flagellanten, ook wel geselbroeders genoemd, die door boetedoening in de vorm van geseling beoefenden. Zij hielden er nog al orthodoxe methoden op na, en bekritiseerden de kerk in die dagen fel. Zij werden door de wereldlijke en kerkelijke overheden fel bestreden, en waren in het begin van de 14e eeuw vrijwel uit Europa verdwenen.

Toen echter de pest zijn kop opstak, kwamen de Flagellanten opnieuw tot leven, en trokken zichzelf tweemaal per dag geselend met zwepen, voorzien van ijzeren punten door hoofdzakelijk de zuidelijke Nederlanden naar Doornik. In 1349 verbood paus Clemens IV de Broederschap, en beval hun arrestatie en gevangenneming. Evenwel bleven zij bestaan tot ver in de 15e eeuw, vooral in sommige delen van Duitsland.

Kerk en kloosters leiden het ceremonieel rondom ziekte en sterfbed, en artsen hadden een ondergeschikte rol, met maar een zekerheid bij epidemieën, daar was niets tegen te doen, daarom wegwezen.

Bij zulke calamiteiten werden de doden niet normaal begraven, maar in grote massagraven begraven, ook het toedienen van de sacramenten bleef vaak achterwege, ook al werden veel kloos­terlingen en zelfs leken in noodgevallen daarbij ingeschakeld.

Ook mocht men pas een arts inschakelen als men de ziel in veiligheid had gesteld, voor de middeleeuwer waren een -salig­he doot- en een -schoone uytvaert- het ideaal.

Voor de gegoede burgers waren er vele strenge regels, al naar gelang rang en stand met alle toeters en bellen, maar voor de gewone arme man was er alleen de goede zorg van de broeder­schap, die de ommegang van de stoet verzorgde en de absoute ( gebeden om vergeving van zonden) regelde, zij gingen regel­recht naar het kerkhof naast de kerk zonder halt te houden in de kerk. Deze begrafenissen waren er het meest, maar zeer weinig is er over bekend dan alleen dat er gezongen werd psalm 23 -De Heer is mijn herder-.

Het begraven gebeurde in eerste instantie vaak naakt, later in een laken of stromat gewikkeld, de doodskist was wel bekend, maar werd veelal gebruikt als middel van vervoer, maar in de 15e eeuw komt langzaam de gewoonte om in een kist begraven te willen worden.

De kerken hebben daar moeite mee, omdat de ruimte in de kerk beperkt is en alleen tegen extra betaling kon men in een kist begraven worden, wel kwamen er regels om de grote en de gedegenheid van de kist aan regels te binden.

Na 1572 de reformatie veranderde er niet erg veel, alleen dat er in de kerken geen mis meer gelezen mocht worden en alle paapse gewoonten niet meer uitgeoefend mochten worden. Het begraven in gewijde grond was daardoor niet meer mogelijk, maar een priester lichte stiekem het deksel en strooide een weinig gewijde aarde in de kist, zodat het idee van in gewijde aarde begraven te worden gehandhaafd bleef.

Het begraven in de kerk gaat gewoon door, ook al verwerpen de Calvinisten het als paaps gedoe, maar voor hun was het ook een kwestie van deftigheid en geld. En het ultieme moment van begraven voor de overledene was tijdens de preek, en dan het liefst voor de preekstoel, voor de predikant was dat hinder­lijk, en voor de kerkgangers onverdraaglijk vanwege de stank uit de geopende grafkuil. In 1602 werd in Amsterdam door de heren van het gerecht verboden om vanwege de stank op zondagen in de kerk te begraven, dat hielp niet veel, want in 1617 werd dezelfde bepaling opnieuw uitgevaardigd. De kerk vreesde door deze bepalingen teruggang van inkomsten, en in 1663 werd in Leiden bepaald, dat het begraven buiten de stad in dorpen verboden was zonder consent (vergunning) van de burgemeester. In de stad Utrecht was het inkomen voor de helft afkomstig van begraven, en na verhogingen in 1744 zelfs 70%, in 1793/1794 werden in Utrecht 80% in de kerk en slechts 20% op de kerk­hoven begraven, de armen dus. In grote steden werden de aller­armsten, daar waar niets voor ontvangen werd, in een massagraf begraven een -meugveel of slokop- genoemd, op 8 oktober 1669 ver­dween op die wijze naast de Westerkerk, Rembrandt van Rijn, en pogingen hem terug te vinden zijn op niets uitgelo­pen.

De diepte van de graven varieerde van plaats tot plaats en van kerk tot kerk, in Leiden in 1406 5 voet diep, en met kist 3,5 voet diep. Te Amsterdam in 1618 mocht men alleen begraven worden in een kist met plat deksel omdat een verhoogd deksel teveel ruimte innam, en deze regel werd herhaald in 1640.

In grote steden waar dagelijks begraven werd, was het openbre­ken en het verzakken van de kerkvloeren een kostbare aangele­genheid, en nog maar niet te spreken van aantasting van de funderingen. In tijden van epidemieën leek het kerkgebouw dan ook meer op een slagveld, terwijl de zondagse erediensten ook nog doorgang vonden. Ook een groot probleem was het overvol raken van de graven, en het ruimen van de grote aantallen beenderen en kisthout. Heden ten dage staat men nog versteld over de grote aantallen mensen welke in kerken begraven zijn, in de Zwolse Broerenkerk waar mensen in vier of soms vijf lagen begraven lagen, en dat was ook weer niet zo verwonder­lijk als men bedenkt, dat tijdens de pestepidemie van 1636 2500 mensen overleden, een kwart van de bevolking, en in 1656 nog eens 3400 mensen, een derde van de toenmalige bevol­king waar­van het grootste gedeelte in de toenmalige 2 kerken werden begra­ven. Ook in Deventer overleden tijdens de pestepidemie van 1636 ca. 3000 mensen, een derde van de toenmalige bevol­king en in 1656, 4568 mensen dat was ruim de helft van de toenmalige bevolking. Wie eenmaal in een kerk begraven lag, bleef daar ook, maar als men op een kerkhof lag, dan wilde men het nog wel eens ruimen en werden de overblijfselen gestapeld in knekel­huizen.

In Nederland werden ook bij het ruimen van de graven knekel­huizen ingericht, maar daar is er geen meer van over. Om een knekelhuis te zien, kan men naar bijv. Chammünster in het Zuid Duitse Beieren, waar twee grote knekelhui­zen be­waard zijn gebleven, een met schedels en een met beende­ren.

Het openbreken van de kerkvloer bracht groot onge­rief met zich mee, herhaaldelijk vielen mensen flauw door de vreselijke stank, ook al werd de kerk voor aanvang van een dienst door de koster uren van te voren gelucht, maar dat hielp niet, want men liet een grafkuil die al voor velen dienst had gedaan, eenvoudig open en onbedekt, de volgende kwam er misschien zo aan.

De Amsterdamse overheid loofde al in 1667 een premie uit voor het begraven op het kerkhof, daardoor werd men vrijgesteld van belasting op begrafenisbriefjes, predikanten namen daarin het voortouw. Bekend is dat tijdens een kerkdienst in Doetichem een graf inzakte, waardoor er een enorme lijkenlucht opsteeg, die menigeen deed vluchten. Ook de geleerden en artsen betoog­den vele jaren lang, dat de lucht die men in kerken inademden ongezond was, vooral van iemand die aan de pokken was overle­den, en ook uit oogpunt van hygiëne kwam zo langzamerhand het besef dat begraven op kerkhoven de voorkeur zou moeten genieten, dokter Meijer uit Oldenzaal nam het begraven in de kerk zeker niet serieus, en liet in 1784 voor drie gulden en vijf­tien stuivers zijn hond begraven in de Plechel­muskerk.

Ondanks de tegenstand van zowel kerkelijke en burgerlijke overheid, ontstaan toch enige begraafplaatsen buiten de steden en plaatsen zoals in Zuilen waar het echtpaar van Thuyll van Serooskerken in 1738 een stuk land ter beschikking stellen, in Arnhem in 1783, in Tiel in 1786, in 1799 sticht een Zwitserse dominee in de Scheveningse duinen een exclusief kerkhof in de vorm van een kerkvloer.

In de Franse tijd werd het verbod, welke in Frankrijk al bestond, in om steden en kerken te begraven, in Nederland ingevoerd, Koning Willem I herstelde in 1813 weer de oude grafrechten, om het vervolgens bij het Ko­ninklijk besluit van 1827, opnieuw het verbod op begraven in de kerk in te stellen, en is elke plaats genoodzaakt een begraaf­plaats in te rich­ten. Toch heeft het in sommige steden nog lang geduurd, om dat vele bestuurders en een familiegraf bezaten, en de financiële middelen bezaten, zo is in de Am­sterdamse Nieuwe Kerk op 20 december 1864 voor het laatst in de kerk iemand bijgezet. Voor vele steden kwam daarbij het pro­bleem van de plek, omdat velen in de stad, en dan nog het liefst dicht bij de kerk begraven wilden wor­den, maar dan niet naast of bij de arme sloebers, die daar al lagen omdat zij de kosten van een plek in de kerk niet konden bekostigen. Op andere plaatsen zoals in den Helder is nimmer in de kerk begra­ven, terwijl in Hengelo al een begraaf­plaats was aan de weg naar Borne vanaf ca. 1400.

Een uitzon­dering is gemaakt voor de Konink­lijke Graf­kelder in de Nieuwe Kerk in Delft.

Omdat de Gerefor­meerde kerk het sinds de reformatie voor het zeggen had, was het stichten van een nieuw kerkhof voor de katholieken een uitkomst om van vele problemen verlost te zijn, bijv. het niet mogen begraven in gewijde grond, of het plaatsen van een kruis hoe klein ook, daar stonden zware sancties op.

Kerkhof is voor ons synoniem met begraafplaats, maar oorspron­kelijk was het bedoeld als hof of tuin rondom een kerk en voor verschillende doeleinden bestemd, zoals het begraven op een gedeelte wat gewijde grond was, en waar de doden uitrusten van hun vermoeienissen des levens tot aan de jongste dag.

Het hele kerkhof was uiteindelijk gewijde grond, en ontheiliging werd dan ook streng gestraft. Ongewijde grond lag meestal aan de noordkant van de kerk, of achter een heg, en werden heiden kerkhoven genoemd, hier werden heidenen, moordenaars, zelf­moordenaars en ongedoopte kinderen.

Het gezegde, hij is de dans ontsprongen, en betekend dat hij ternauwernood aan een ramp is ontsnapt, komt uit de middeleeu­wen. Men geloofde namelijk dat de doden s’nachts een reidans rondom de graven dansten, en iemand die daar aan meedeed was een kind des doods.

Het asielrecht zoals ook nu nog wel eens toegepast doordat mensen in een kerk hun toevlucht en bescherming zoeken, is een oud voorchristelijk recht. Geen kwaad mocht de toevluchtszoe­ker overkomen door mensenhand, de godheid zelf zou straffen en beschermen, dit recht van de heidenen is door Constantijn de Grote in de vierde eeuw overgebracht op de christelijke kerk. Oorspronkelijk alleen de kerk, maar later kwam het kerkhof

daarbij, en er werd met strenge straffen gedreigd, als men vluchtelingen uit de kerk of van het kerkhof haalden. Een vluchteling mocht er vaak niet meer dan drie dagen verblijven, maar familie kon in die tijd de boete voldoen, de straf afko­pen, kwam men niet tot een vergelijk, dan moest het recht zijn loop hebben. Moordenaars, brandstichters, rovers, verkrachters en lieden die op gewijde plaatsen een misdaad hadden begaan waren uitgesloten.

In Gorkum had iemand die een vrouw had aangerand, s’nachts het kerkhof verlaten omdat hij honger had, onmiddellijk werd hij gegrepen gevonnist en uiteindelijk onthoofd.

De toegang van een kerkhof was een zwakke schakel, denk men hierbij vooral aan het wild en de varkens die men in vroeger tijden vrij los liet lopen, en op het kerkhof alles konden omwoelen. Men legde voor de ingang over een ondiepe kuil wildroosters, z.g. duivelsroosters waar dieren met hun poten doorzakten en zo de toegang tot het kerkhof onmogelijk was, omdat de duivel gezien werd als een bok, kon ook hij niet op een kerkhof komen.

Doordat men in oude tijden de overledenen vaak geschenken meegaf in het graf, en ondanks de reformatie dat verboden was, gebeurde het toch nog veelvuldig, en daardoor kwam grafschen­nis ook nog veel voor. Men bestrafte grafschennis met de doodstraf, edelen werden verbannen en kwamen er dus genadig af, en men stelde kerkhofers aan die in een torentje de wacht konden houden, terwijl zij s’nachts in hun onderkomen een vuur konden aanleggen om zo de omgeving te kunnen bekijken, later werd dat een lamp dat met een katrol omhoog gehesen werd.

Het gebruik van lichtjes of lantaarns verdween met de komst van de reformatie, maar op 2 november branden vele katholieken nog kaarsjes bij hun graven, en tegenwoordig is er bij sommige graven elektrische verlichting aangebracht.

In Duitsland en Oostenrijk branden er na de kerkdiensten bij vrijwel elk graf op het kerkhof, welk rondom de kerk gelegen is, kaarsjes, wat een bijzonder gezicht is, zeker als de avond is gevallen.

Ook bijzonder was het op een gewone zondag, dat vrijwel ieder graf na het uitgaan van de kerk bezocht werd door een of meerdere familieleden. Of er veel gebeden werd was mij niet duidelijk, maar wel duidelijk was dat iedereen wist wie er die zondag in de kerk geweest was.

Op kerkhoven zijn door de eeuwen heen altijd grote moeilijkhe­den geweest, enerzijds door emotionele oorzaken en anderzijds door onverschilligheid en ondanks aanwezigheid van velen zal er geen verraad plaatsvinden en voelt men er zich vrij.

In Enkhuizen verbood men in de 15e eeuw colven, clootschieten, het werpen van stenen en andere wansturigheid tegen een boete van 30 stuivers, ook in Leiden was het St.Pancraskerkhof steeds in opspraak, vaak vloeide er bloed bij vechtpartijen, en moest het kerkhof dan gesloten, steeds opnieuw gewijd worden waarbij de geestelijkheid steeds opnieuw betaald diende te worden. Het Parijse kerkhof der Onnozele Kinderen bleef zelfs eens maanden gesloten, omdat de bisschop een hogere be­taling wenste, die de kerk niet kon opbrengen. In Delft ver­bood men meisjes en vrouwen de toegang tot het kerkhof om zodoende het bedrijven van ontucht tegen te gaan, of zij alleen maar ontucht kunnen bedrijven. Op het kerkhof werden ook regelmatig markten gehouden waar men ge­schreven en gemaelde werken te koop aanbood, en ook de vrij­stersmarkt te Schagen werd merkwaardig genoeg op het kerkhof gehouden. Andere misbruiken waren het drogen van de was en het weiden van vee wat sinds 1568 weer eens opnieuw verboden was, maar de veldwachter van Groenlo had het kerkhof gehuurd, om er zijn varkens op te hoeden, en ook het storten van afval en puin kwam regelmatig voor. Omdat er blijkbaar ruimte was voor allerlei evenementen op een kerkhof, mag men ervan uitgaan dat er weinig of geen grafstenen aanwezig waren, ook weer niet zo verwonderlijk, omdat de kosten daarvan bijzonder hoog waren was het voor weinigen weggelegd, en die het betalen konden lagen in de kerk.

Op kerkhoven was het vaak slordig gesteld met de regels, als die er al waren, men begroef meestal met behulp van buren de overledene, vaak niet diep genoeg, en als er een ziekte of epidemie uitbrak, dan was het helemaal een allegaartje. In Winterswijk was het in 1798 heel droevig gesteld, men noemde het toen zelfs een ruïne, schots en scheef begraven, omgewoel­de aarde, en tot overmaat in 1803 en 1804 nog de rode loop waar een groot deel van de bevolking aan overleed, en men alleen bij hoge premies mensen kon krijgen die s’nachts de ongekiste lijken op een kruiwagen naar het kerkhof wilden brengen, en men begrijpt wat een toestand dat was. Dezelfde ziekte kwam in 1881 nog eens in alle hevigheid terug. Ook in Amsterdam had men op kerkhoven te weinig ruimte, en zeker ook toen twee kerkhoven geruimd dienden te worden voor de bouw van het paleis op de Dam, de altijd aanwezige stank deed de be­stuurders er uiteindelijk toe besluiten om kerkhoven buiten de stad aan te leggen.

Omdat de beenderen belangrijk gevonden werden, was men genood­zaakt om knekelhuizen aan te leggen, men bewaarde daarin de schedels en beenderen, het laatste knekelhuis in Nederland is geruimd in 1930 te Urk, en de inhoud diep herbegraven in een zogenaamde knekelput, waar bijna elk kerkhof er wel een van bezit. Talrijk zijn de verhalen hoe oneerbiedig men omging met de beenderen en schedels welke bovengronds kwamen.

Dat beenderen belangrijk waren, kwam tot uiting bij het over­lijden van koningen en andere belangrijke personen in den vreemde, dan was het niet ongebruikelijk om de lichamen in delen te snijden en te koken om vervolgens het vlees en de ingewanden ter plekke te begraven en de beenderen mee te nemen naar de geboortegrond. Paus Bonifatius verbood het gebruik vervolgens in 1299 en 1300, maar Engelse edelen werden nog zo behandeld in 1415.

Joodse begraafplaatsen daarentegen mogen vanuit hun godsdien­stige overtuiging niet geruimd worden, en de oudste kerkhoven zijn dan ook vaak joodse begraafplaat­sen, met hun eigen symbo­liek en taal. In Hardenberg is een joodse begraafplaats in de uiterwaarden gesticht van de Vecht omstreeks 1761, men ver­kocht nu eenmaal geen goede grond voor een begraafplaats, en zeker niet aan de joden ook toen al niet. Men heeft er een verhoging van ge­maakt, een terp, en bij het buiten de oevers treden van de vecht, moest men met een bootje de overledenen ter aarde bestellen op het als “Jeudenbargie” bekent staande kerkhof welk in 1910 gesloten is. Het is dan ook schrijnend, dat in W.O.II ruim 6 miljoen joden in de concen­tratiekampen zijn vermoord en geen enkele een eigen graf of grafsteen bezit, op de joodse be­graafplaats in Muiden is bewust een grote plek opengehouden als eerbe­wijs aan diege­nen die na de oorlog niet terugkwamen. Tijdens de cholera epidemie, kwam het wel eens voor dat iemand dood werd verklaard, in de grote haast waarmee men de besmette lijken uit de stad weg wilde hebben. In latere jaren kwamen mensen op het idee om een touw tussen de vingers te bevestigen, welke in verbinding stond met een belletje boven de grond, ook werd soms bij testament bepaald dat na het vaststel­len van de dood, hart en aderen doorboord moesten worden om toch vooral maar echt dood te zijn.

De wet op de lijkbezorging voorkwam later deze vreemde situa­tie, door te stellen dat pas 36 uur na iemands dood het lijk begraven mocht worden.

In 785 had Karel de Grote het verbranden van lijken verboden, maar in het midden van de 19e eeuw kwam het cremeren weer onder de aandacht, al verbood de katholieke kerk het cremeren, en ook de propaganda ervoor. Sinds 1968 werd het cremeren gelijk­gesteld met begraven, en ook de kerk had al enkele jaren geen bezwaar meer, en kwam het cremeren in een stroomversnel­ling en is heden ten dage meer regel dan uitzondering, terwijl ook steeds meer kerkhoven een urnenmuur bezitten om toch te kunnen voldoen aan de vraag van een eigen plekje.

Ook door de steeds multiculturele samenleving, zullen de kerkhoven een ander aanzien krijgen, al werden in de jaren zestig regels gemaakt die een uniformiteit teweegbrachten, die heden ten dage gelukkig weer ongedaan is gemaakt. Alleen al door de verschillende religies en ontkerkelijking, krijgt men een ander aanzien. Men heeft in Nederland, gemeentelijke en bijzondere kerkhoven, de laatste kunnen zijn: Katholieke begraafplaatsen, kloosterkerkhoven, Nederlands Hervormde of Diaconiebegraafplaatsen, Joods begraafplaatsen, kerkhoven van Rijksinstellingen, particuliere begraafplaatsen, privé kerkho­ven en militaire kerkhoven. Kerkgenootschappen moeten zelf voor hun exploitatie opdraaien, al kunnen zij een beroep doen op gemeentelijke begraafplaatsen om daar een hoekje in gebruik te mogen nemen, als zij door hun kleine aantal leden bijvoor­beeld, geen eigen kerkhof meer kunnen onderhouden.

In Roermond heeft het kerkhof van Kapel in’t Zand een bijzon­der betekenis, doordat dat al heel lang verschillende afdelin­gen heeft, een uiteraard katholiek gedeelte, een protestants deel, een joods deel en een verloren deel, alles nadrukkelijk gescheiden van elkaar met muren, het joodse gedeelte kaal zonder begroeiing en alleen de natuur wil men hier wel eens zijn gang laten gaan, het protestante gedeelte is donker en somber vanwege grote treurwilgen met overhangende takken, overeenkomstig met hun geloof, waarbij de begrafenis een sober karakter heeft zonder toeters en bellen. Belangrijker was om de naam van de overledene in ere te houden, vandaar dat er in vroeger dagen vele weeshuizen, hofjes voor bejaarden en gast­huizen voor zieken gesticht werden met de naam eraan verbon­den. Op het katholieke gedeelte valt al onmiddellijk op de kapel, en in de directe nabijheid ervan de monumentale graven van de rijken met veelal gietijzeren omheiningen, en verder op steeds een lagere klasse met steeds kleinere stenen. Op vele stenen afbeeldingen die ty­pisch katholiek zijn, zoals kruisen, beelden e.d. Ook een grafmonument van een zoeaaf dient aan­dacht, al was het alleen al dat hij door in de vorige eeuw te helpen Vaticaan­stad te verdedigen, het Nederlands staatsburger­schap heeft verloren, maar wel begraven ligt met alle egards op een promi­nente plaats op het katholieke gedeelte. Het verloren gedeelte is een eigen afgescheiden hoekje, waar onge­doopte kinderen zijn begraven, gelukkig komt dat in deze tijd steeds minder voor, maar officieel kan men volgens de kerk deze kinderen niet in gewijde aarde begraven, deze kinde­ren zijn volgens de kerkelijke wetten heidenen en werden dus apart begraven, samen met criminelen, zelfmoordenaars, drenke­lingen uit de Maas en als laatste is daar een N.S.B.er begra­ven.

Vroeger geloofde men dat de zielen van ongedoopte kinderen rond het graf bleven zweven, en als de moeder opnieuw in verwachting was, kwam zij naar het kerkhof om de dolende ziel de gelegenheid te geven om in het nieuwe leven plaats te nemen, misschien verklaart dat ook wel, waarom zovaak de naam van een overleden kind doorgegeven werd aan het volgend geboren kind.

Het meest bijzondere graf in Roermond kent men als het graf met de handjes. In 1842 trouwde de 22 jarige jonkvrouwe Josep­hine van Afferden met de niet adellijke kolonel van Gorkum, dat op zich gaf al veel commotie, omdat hij een soldaat was en ook nog elf jaar ouder, maar het meeste stof waaide op omdat hij niet katholiek was. Soldaten werden zelfs ingezet om de trouw­plechtigheid niet te laten verstoren. In 1880 overleed de man, en werd buiten de katholieke begraafplaats begraven, tegen de muur van het katholieke gedeelte, met een grafmonument welk boven de muur uitstak. Toen ruim acht jaar later de vrouw overleed, werd zij op het katholieke gedeelte begraven, ook pal tegen de muur aan, met ook eenzelfde grafmonument, alleen plaatste men tussen beide monumenten over de muur heen twee in elkaar verstrengelde handen, om op die manier symbolisch verbonden te blijven, gelukkig zal zoiets in deze tijd niet meer gebeuren. Alhoewel bekend is het dat een man die zijn eerste vrouw verloren had na een huwelijk van bijna acht jaar, en zelf overleed na een tweede huwelijk van 45 jaar, bijgezet werd in het familiegraf bij zijn eerste vrouw. Een half jaar later overleed zijn tweede vrouw, en toen zij bijgezet zou worden in hetzelfde familiegraf, bleek dat de begrafenisonder­nemer de man niet diep genoeg had begraven, en bijzetting niet mocht volgens de wet op de lijkbezorging, zelfs niet op dat zelfde kerkhof omdat het kerkhof inmiddels gesloten was en alleen bijzetting in bestaande graven toegestaan was, en nieuwe graven niet toege­staan werden, en dat anno 1989 in Raalte.

Werd de mens in de middeleeuwen 40 jaar, dan had hij de leef­tijd der sterken bereikt, en vaak veel ontberingen doorstaan, zeker als men bedenkt dat kindersterfte meer gewoonte dan uitzondering was, in 1900 was kindersterfte nog ruim 40 %. Ook epidemieën, natuurrampen en menselijke rampen eisten hun tol.

De cholera, dysenterie en pest kwamen regelmatig voor, waarbij soms wel de helft van de inwoners kwam te overlijden, waters­nood kwam ook regelmatig voor, met als triest hoogtepunt 1953 waarbij vooral in Zeeland ruim 1800 mensen omkwamen, verkeers­rampen zoals neerstorten van vliegtuigen of auto en busonge­lukken, waar soms grote aantallen mensen omkomen.­ Maar verre­weg de groot­ste rampen zijn de oorlogen, die uiteindelijk door mensen beslist worden en waarbij miljoenen mensen omkomen militairen en burgers. En dan de massale vernietiging van bijna een heel volk, meer dan 6 miljoen joden door Hitler en zijn trawanten, maar denk ook dan Rwanda waar Tuti’s en Hutu’s elkaar naar het leven stonden en er ook misschien wel een miljoen mensen zijn omge­bracht en dat in 1994/1995. En ook Kosovo, Kroatië, Albanië, grote delen van Afrika, en zo kan men nog wel even doorgaan.

Ook zijn er altijd begraafplaatsen geweest van vermo­gende of minder vermogende families op hun eigen landgoed of in hun bossen, of in kerken of kapellen door hun gebouwd, graftombes, graftorens al dan niet met grote monumenten, evenals monumentale grafte­kens en of zerken van en voor beroemde personen op kerkhoven of stand­beelden op kerkhoven of in kerken, maar ook op elke willekeu­rige plaats bijv. in dorp of stad om toch maar de persoon en zijn daden in ere te houden.

Ook adellijke familie’s hebben vaak hun dierbaren begraven op door hun uitverkozen plaatsen, zoals de baron en de barones Bentinck van Schoonheten, welke op hun eigen landgoed zijn begraven, of de fam.Vidal de Saint Germain, die ook op hun landgoed Het Relaar een eigen grafkelder bezitten.

Maar ook minder bekende personen bezitten soms bijzon­dere en merkwaardige monumenten of monu­mentjes, zoals Petrus Age Huitinga die een grafzerk kreeg op Terschelling, maar die door de vakantiegangers, die hem alle­maal kenden, en zijn graf zochten maar niet konden vinden. Toen de toevoeging Piet IJsco werd aangebracht, was dat pro­bleem opgelost, omdat vrijwel niemand hem onder zijn eigen naam kende, maar alleen als Piet IJsco.

In Emmen staat een grafmonument van een klein mannetje in een kruiwagen, met een geweer in zijn hand en de hond naast hem.

Dat was Jan Holties, nauwelijks 1 meter hoog, gehandicapt en die zich met reparaties van paraplu’s en geweren in zijn le­venson­derhoud voorzag. Als hij eens naar het dorp wilde, dan stond de kruiwagen op straat met Jan erin, die dan door een toeval­lige passant wel werd meegenomen. De jacht was zijn lust en zijn leven, en voor een paar cent liet hij zich daarbij dan ook vervoeren. Op een keer wilde hij zich na een lange jacht­partij ook nog door het bos laten vervoeren, maar zijn vaste kruier had er schoon genoeg van en na een woordenwisseling liet hij de kruiwagen met Jan erin staan, en ging er vandoor. Na de nodige verwensingen, vloog er ook nog een schot hagel over de weglopende kruier heen die hem ternauwernood miste.

s’Avonds werd Jan door andere passanten toevallig gevonden die hem weer thuiskruiden.

Toen hij overleed 65 jaar oud brachten jagervrienden en de bevolking van Emmen voldoende op, om hem een monument na te laten op een wijze die hem dierbaar was, als jager in zijn kruiwagen vergezeld van zijn hond.

Tot slot het zeemansgraf, onmetel groot en anoniem, waar de grootste helden van de natie omkwamen en begraven werden, maar ook de talloze slaven op weg naar het nieuwe land.

Een ding is overduidelijk, bij leven zijn er grote verschil­len, maar na de dood is alles voor eenieder gelijk, kortom het verschil zit alleen tussen geboorte en dood.

Colofoon: Begraven en begraafplaatsen-Teleac

Uit het leven- Nuva

Anton G.M.Heijmerikx, Lathen

3 Comments

  1. gerard rinsma
    juni 26, 2007

    Graag zou ik meer willen weten over het leven van Piet IJsco. Kunt u bronnen geven of sites?

  2. a.bouma
    augustus 26, 2010

    U kunt mij bellen, wellicht weet ik u nog iets te vertellen.
    Andre Bouma

  3. André Huitenga
    juli 31, 2014

    Ik vind het verhaal over Piet IJsco zeer vermakelijk, maar het klopt niet. Piet was mijn oom en ik weet daarom dat de familie van begin af aan heeft besloten om de naam Piet IJsco op de grafsteen te zetten. Piet zou overigens van dit verhaal gesmuld hebben.

Geef een reactie