heijmerikx.nl

Information

This article was written on 07 jan 2006, and is filled under Oorlogsperiode.

Emslandkampen, 15 vrijwel onbekende oorlogskampen.

Emslandkampen, 15 vrijwel onbekende oorlogskampen.
28 februari 1933 brand de Rijksdag in Berlijn, de Nederlander Marinus van der Lubbe is de brandstichter, en ongewild is hij de aanleiding voor het oprichten van kampen, waar tegenstanders van het Nationaal Socialisme konden worden opgeborgen

. Het kwam de nazi’s goed uit, die Rijksdagbrand, want 1 dag later komt er een verordening van de Reichspresident, “zum Zchutz von Volk und Staat zur Abwehr kommunistischer staatsgefahrdender Gewaltakte, en in de zomer en herfst van 1933 hebben de Nazi’s al ca. 4000 Duitsers gevangen genomen, voornamelijk tegenstanders van het Nationaal Socialisme van Hitler en zijn partij, en opgeborgen in de kampen van Emsland. Grofweg hebben drie categorie’n in die kampen de gevolgen ervaren, 1e de tegenstanders van het regiem, 2e strafgevangenen, 3e krijgsgevangenen, leden van verzetsbewegingen, en oorlogsgestraften en dwangarbeiders.
Deze kampen zijn grofweg onder te verdelen in, concentratiekampen tussen 1933-1936, strafgevangenkampen tussen 1934-1945, militaire strafgevangenkampen tussen 1939-1945, krijgsgevangenkampen tussen 1939-1945, en buitenkampen van het concentratiekamp Neuengamme 1944/1945.
Het is niet altijd duidelijk aan te geven welk kamp welke betekenis heeft gehad, omdat er wel peplaatst werd, daar waar plaats en ruimte was, en daar waar goedkope arbeidsplaatsen nodig waren. En zijn de verschillende categorieen door elkaar geplaatst.
Vermeld moet ook worden, dat wanneer uit de Emslandkampen personen vluchtten, zeker de politieke vluchtelingen, zij zeker in de beginperiode richting Nederland gingen, want de Nederlandse grens was heel dichtbij, en Nederland was tot 1940 immers neutraal en niet in oorlog met Duitsland. Kampen als Brual-Rhede, Walchum, Neusustrum, Oberlangen, Wesuwe, Versen, Fullen en Alexisdorf lagen dicht bij de grens, enkele op nog geen 5 kilometer.
Bewakers van die kampen, schoten op de vluchtende gevangenen, en werden ook door de bewakers achternagezeten, tot soms over de Nederlandse grens. Grensbewoners, vooral de Nederlanders klaagden over het feit, dat zij het gevaarlijk achten dat bewakers schoten, zij konden wel eens door een verdwaalde kogel geraakt worden, dat sommige vluchtelingen bij hun vluchtpoging doodgeschoten werden, en anderen soms levensgevaarlijk gewond werden, daar werd niet over gesproken. Sterker nog, de toenmalige burgemeester van Vlagtwedde, welke gemeente grenst aan het naburige Emsland, riep de bevolking op de vluchtelingen direct aan te geven, zodat zij zo snel als mogelijk weer in Duitsland in een kamp opgesloten konden worden, het waren immers misdadigers volgens hem. Protesten van de landelijke pers ten spijt, er veranderde niets aan de houding van de burgemeester, die de steun had van de Nederlandse regering, die opdracht had gegeven om elke vluchteling weer op te pakken en uit te leveren aan Duitsland. Politie, Douane en de Marechaussee, maakten helaas zelfs actief jacht op de vluchtelingen. Toen dit in de kampen bekend werd, probeerde men nog wel te ontvluchtten, maar gingen de andere kant op, in de hoop dat zij mogelijk ergens in Duitsland onderdak konden vinden om onder te duiken.
De kans dat een gepakte vluchteling het zou overleven, was overigens erg klein.
Na terugkomst in het kamp wachtte hem een afranseling, die velen letterlijk de adem benam.
Bekend is, dat enkele Nederlandse officieren met hun echtgenotes, Kerstmis vierden in 1935 met de bewakers in het nabijgelegen kamp Oberlangen, en dat ter ere van de Nederlandse gasten een Sieg Heil werd uitgeroepen op Koningin Wilhelmina, en het Wilhelmus en het Horst Wessellied ten gehore werden gebracht.

Ook hebben op meerdere plaatsen in Noord Duitsland buitenkampen bestaan, die vanuit de Emslandkampen bemenst werden. In deze Emslandkampen, hebben, behalve in het buitenkamp van Neuengamme, geen of weinig Joden gevangen gezeten.
Buiten de Joden van Neuengamme, hebben in deze kampen in het algemeen niet Joden, hinder gehad van het Nationaal Socialisme van Hitler en zijn trawanten.
Tot aan 1940 hoofdzakelijk Duitsers, en nadien ook inwoners vanuit alle veroverde landen, of landen waar men oorlog mee voerde, en krijgsgevangenen.
Emsland, in het verleden onlosmakelijk verbonden met armoede en turf, evenals Drente.
In dat Emsland was de ontwikkeling meer stil blijven staan dan in het naburige Drente, bittere armoede heerste alom. Was er in de kleinere steden en dorpen nog enige “vooruitgang en welvaart”, op het platteland was de armoede schrijnend. Kleine keuterboertjes, waarvan enkel de oudste zoon een klein en karig bestaan kon opbouwen op hun erve en goed, de andere kinderen moesten maar zien hoe zij aan de kost kwamen. Zo trokken de zonen al decennia lang naar Holland als Hannekemaaiers, de dochters als Geesjes naar de Hollandse deftige familie’s.
Zij kwamen vaak nog wel eens per jaar terug in hun Heimat, rondom de Kerstdagen, maar vertrokken dan weer. Als zij terugkwamen, waarschuwde de pastoor voor de heertjes van 6 weken, die er maar op los leefden, zij hadden immers geld, en met 6 weken was dat kennelijk op en vertrokken weer. Ook bleven velen in Holland achter om zich daar blijvend te vestigen.

Omdat er grote werkeloosheid heerste, en er geen of nauwelijks betaalde arbeid voorhanden was, is men begonnen in Emsland op basis van vrijwilligheid, Freiwilliger Arbeitsdienst, met het moeras en de veengebieden te ontginnen en in cultuur te brengen. Dat waren ontzaggelijk grote gebieden, en dat gebied stond bekend als het Boertanger Moor, en lag westelijk van de rivier de Ems. Toen er de machtsovername kwam, van het Nationaal Socialisme, was het gedaan met de vrijwilligheid, en werden verschillende arbeidskampen omgebouwd tot gevangenkampen, voor tegenstanders van dat Nationaal Socialisme. Om die gevangenen werk te verschaffen, zij het onder dwang en zonder middelen, was er voldoende veen, turf en woeste grond aanwezig, en de kosten waren gering.
Op de Partijdag van het Nationaal Socialisme in Neurenberg in 1934, heet het:
“Die eroberung des Emslandes als neue provinz ist Ehrensache des Reichsarbeitsdienstes”
Verder zijn er nog 3 kampen opgericht net buiten het grondgebied van Emsland, in het naburige Graafschap Bentheim, Wietmarchen (XIII), Bathorn (XIV) en Alexisdorf (XV).
Maar waren er ook kleinere stafkampen, of krijgsgevangenkampen zoals bijv. Telgenkamp in de nabijheid van Lingen, waar enkele honderden dwangarbeiders woonachtig waren, die werden ingezet bij Eisenbahnwerk Lingen.
Onder het motto: “Neubildung des Bauerntums im Emsland” zou in de periode van 10 jaar, 50.000 Ha. Veen en moerasgebied met hak en schop gecultiveerd moeten worden tot 2.300 boerenbedrijven. Die doelstelling is bij lange niet gehaald, en maar een klein deel is daadwerkelijk gecultiveerd. In 1941 gaf Hitler het bevel, om de arbeidskrachten in te zetten voor landbouwbedrijven en bedrijven die werkzaam waren voor de oorlogsindustrie.
Toch bleven de kampen bevolkt, en gingen de onmenselijke werkzaamheden door in het veen, maar meer door krijgsgevangenen uit de overwonnen landen.

Lager 1 Bargermoor: Begonnen werd met de inrichting in juni 1933, en was allereerst bedoelt voor politieke tegenstanders van het Nationaal Socialistisch regime. De eerste politieke gevangenen waren geselecteerd uit handswerklieden, die werden verplicht hun eigen kamp te bouwen. Bewaakt door leden van de SS en de SA, moesten de ca. 1.000 gevangenen het kamp verder uitbouwen. Wegen en kanalen aanleggen en graven, om het Moor (moeras, door turfwinning) te ontginnen en te cultiveren.
Zware arbeid, waarbij hun het gebruik van machines werd onthouden, gebrekkige en onvolledige kleding, slechte voeding en veelvuldige mishandelingen, aangevallen door honden die werden opgehitst, soms tot de dood ten gevolge.
Berucht is de nacht van de lange latten geworden, die werd uitgevoerd tengevolge van een rookverbod, welke niet werd opgevolgd.
Midden in de nacht werden de gevangenen van een barak naar buiten gejaagd, en er volgde “gassenlaufen”, spitsroeden lopen, en werden daarbij geslagen met lange latten, waarin spijkers zaten.
Nadien hebben enkele gevangenen een ontspanningsprogramma in elkaar gezet, “Zirkus Konzentrazani” en daarbij ontstond in 1933 het “lied van de Moorsoldaten”, de opvoering was onder toezicht van alle SS bewakers, en het lied beschreef het lot en het leven in de kampen van de “moorsoldaten”. Dat dit lied al na 2 dagen verboden werd, was niet verwonderlijk, maar het heeft de hele oorlogsperiode een grote, zij het geheime, rol gespeeld, het werd steeds weer overgeschreven en door doorgegeven.
In april 1934, werd het kamp overgegeven aan het ministerie van Justitie, maar aan de mensonterende mishandelingen van de bewaking veranderde er nauwelijks iets. Vanaf het begin van de oorlog, werden hier ook door de Wehrmacht veroordeelde soldaten opgesloten, en vanaf februari 1944 werden kortlopend “Nacht und Nebelgefangenen” uit de bezette gebieden hierheen gesleept. Op het eind van de oorlog, was een deel van Bargermoor een onderzoeksgevangenis van de Wehrmacht.
Na de bevrijding is het kamp nog tijdelijk in gebruik geweest, om vluchtelingen op te vangen, en werd Bargermoor later overgenomen door justitie. In de jaren ca 60 zijn de barakken afgebroken. Van het kamp rest enkel nog een dichtgemetselde schuilkelder voor de voormalige bewakers, enkele verhogingen in het landschap, en hier en daar wat restanten puin
Een herdenkingsplaats met de tekst “Nie wieder Faschismus”, en een steen met het 1e couplet van het lied “Die Moorsoldaten”  houden de herinnering in stand.

Lager II Aschendorfermoor: Begonnen met de aanleg van dit Gevangenkamp, in april 1935 op last van het ministerie van Justitie, met een opnamecapaciteit van 1.000 gevangenen. Welke tot gevangenisstraffen waren veroordeeld door Justitie, en die uit het hele Duitse rijk afkomstig waren. Deze gevangenen werden vooral ingezet voor het aanleggen van wegen, afwateringskanalen, en ingezet in de turfproductie. Voor de bewaking werden ca. 300 SA mannen en justitieambtenaren ingezet. En ook hier, zware arbeid onder mensonterende omstandigheden. Deze gevangenen werden ook ingezet, om in de omgeving een “vergnugungspark” wandelpark aan te leggen voor de bewakers en hun familieleden, resten daarvan zijn behouden gebleven, in de vorm van een onbebouwd stuk grond.
Van juli 1937 tot mei 1940 werden alle politieke gevangenen uit de Emsland kampen hier samengebracht, en werd de capaciteit vergroot tot ca. 2.200 gevangenen. Van die periode zijn ruim 100 tekeningen gemaakt door Ernst Walsken, en als door een wonder zijn die vrijwel allemaal na de oorlog weer opgedoken, en openbaar gemaakt.
Na die periode bestond de helft van de gevangenen uit Militaire rechtbanken veroordeelde gevangenen. De gevangenen moesten in elk jaargetijde tussen 8-10 uur dagelijks in het veen arbeiden, verzorging was zeer slecht in verhouding met de zware arbeid die verricht moest worden. Daarbij kwamen de veelvuldige willekeurige mishandelingen van de bewakers, waarbij vastgelegd, 237 doden te betreuren waren t.g.v. die mishandelingen. Daadwerkelijke aantallen, zullen ongetwijfeld hoger zijn. Eind 1938 werd de commandant Schafer van het Emslandlager voor het gerecht gedaagd, voor gepleegde mishandelingen in de kampen onder zijn leiding, maar onder zware druk van de SA werd hij vrijgesproken. De honger was in dit kamp groot, en gevangenen sneden gras om het te vermengen met hun eten, om daardoor iets meer binnen te krijgen. Ook zijn er gevallen bekend, dat gevangenen bewust in de omheining liepen, wetende dat zij dat niet overleefden.
In de eindfase van de wereldoorlog, verzamelden ca. 2.500-3.000 gevangenen zich, om geevacueerd te worden, voor de oprukkende geallieerden. Op 18 en 19 april werd het kamp ook nog eens beschoten door Engelse vliegtuigen beschoten, en werden er brandbommen afgegooid, die ook nog eens 50 gevangenen het leven kosten, en waren vele barakken na afloop daarvan in een rokende puinhoop veranderd.
In deze fase van wanordelijkheden en onduidelijkheden in april 1945, dook een Hauptman gekleed in het uniform van de Valschermjagers op, en nam het kampcommando over.
Met medeweten en medewerking van de plaatselijke NSDAP partijleiding en bewakers liet hij verschillende gevangenen vermoorden. Na de oorlog, werden 195 lichamen opgegraven, en op het nabijgelegen kerkhof opnieuw bijgezet.
Bij de arrestatie in Aurich van deze kampcommandant, bleek dat hij pas 21 jaar oud was, Willi Herold heette, en gewoon soldaat was in het leger. Hij werd op 29 april 1946 door een Engelse militaire rechtbank ter dood veroordeeld, en welk vonnis op 14 november 1946 te Wolfenbuttel is voltrokken.
Op het kerkhof van Aschendorf/Herbrum, ook wel het Herold-Friedhof genaamd, is een gedenkteken opgericht ter nagedachtenis aan de 195 onbekende gevangenen, met tekst die onomwonden aangeeft dat zij doodgeschoten zijn onder leiding en opdracht van “Hauptman” Herold. Van die 195, kwamen er 4 ongelukkig om het leven als gevolg van bombardementen van nabij gelegen Engelse troepen.
Op hetzelfde kerkhof ook een gedenkplaat voor de gevangen en omgekomen Luxemburgers in dit kamp.
Tot 1956 heeft hier nog een barak gestaan, en die in gebruik was bij een na de oorlog gevluchte Oostpruisische landbouwer, verder ontbreken vanaf die tijd elk zichtbaar spoor.

Lager III Rhede-Brual. Dit strafgevangenenkamp werd opgericht en was vanaf mei 1934 klaar, en was bedoeld om ca. 1.000 gevangenen op te kunnen bergen veroordeeld door de Pruisische justitie. De veroordeelden kwamen uit geheel Duitsland, en werden ingezet voor de cultiveringarbeid van het veengebied. Ook werden zij ingezet als arbeiders voor de plaatselijke firma’s en ondernemingen, als mede bij boeren in de omgeving.
De machinebouwfabriek van de fa. Klatte heeft veel gebruik gemaakt van dwangarbeiders, om vliegtuigonderdelen te fabriceren. Vanaf juni 1937 bevonden zich onder de gevangenen ook politieke gevangenen, dat had tot gevolg, dat in september 1938 het kamp werd uitgebreid met 8 barakken voor de opvang van ca. 1.500 gevangenen voor het gehele kamp. De nieuwe gevangenen werden o.a. ingezet bij de uitbouw van de zogenaamde Westwall, een verdedigingslinie van de Duitsers. De bewaking bestond hier uit ca. 200 SA mannen, aangevuld met ambtenaren van justitie als wachters. De gevangenen moesten dagelijks tussen 8 en 10 uur zware arbeid verrichtten voor slecht eten, slechte voeding en soms ook zware geestelijke en lichamelijke mishandelingen. Door die mishandelingen, was zelfverminking aan de orde van de dag, om zo e.e.a. te kunnen ontlopen.
Eenmaal in de week moesten de gevangenen zich melden bij de kampleiding, en moesten daarbij voor de barak, waar twee honden lagen, zijn pet afnemen en in de houding gaan staan, en de honden toeroepen, “Du bist ein Herrenhund und ich en Schweinehund” alvorens zij naar binnen mochten.
Kerstavond 1937 werden de gevangenen naar buiten gestuurd in de bittere kou onder het commando “ im hemd raustreten”, voor barak 2 stonden ca. 600 gevangenen, gekleed in enkel 1 hemd of wat daarvoor doorging in de ijzige kou. Een dirigent werd het dak opgestuurd, en onder zijn leiding moest gezongen worden het lied “Empor zum Licht”. Na afloop mocht men weer naar binnen, 22 gevangenen kregen nadien longontsteking, en 4 zijn aan de gevolgen daarvan overleden.
Vast staat, dat in elk geval 59 personen door mishandelingen om het leven zijn gekomen, maar het zullen er ongetwijfeld meer zijn, omdat niet in alle gevallen proces verbaal is opgemaakt. Op de begraafplaats van Esterwegen zijn de doden ter aarde besteld. Op het eind van de oorlog, waren in dit kamp nog ca. 700 gevangenen, die begin april 1945 naar Lager II Aschendorfermoor overgebracht zijn.
Van het kamp ontbreekt ieder spoor, en op de plaats van de barakken van de bewakers, staat nu een boerderij, wel heeft men in de directe omgeving van de plaats van het kamp een informatiepaneel geplaatst, om de herdenking toch in stand te houden.

Lager IV Walchum. Dit kamp van het Pruisische ministerie van Justitie, werd gepland in mei 1935 voor ca. 500 gevangenen, die ook uit alle delen van Duitsland tot dit kamp veroordeeld werden. Later kwamen daar nog bij, de tuchthuisgevangenen. Zij werden ingezet, om het veen te ontginnen en te cultiveren, maar ook als arbeiders bij verschillende fima’s.
Uiteindelijk werd dit kamp uitgebouwd tot 1.000 gevangenen, die door 200 SA mannen en justitieambtenaren werden bewaakt. Deze SA mannen kwamen hoofdzakelijk uit Emsland, en kregen hier hun “opleiding”. En ook hier, slecht eten, slechte kleding en ook zware arbeid en mishandeling. Van 72 omgekomen mensen is proces verbaal opgemaakt, maar het daadwerkelijke dodental zal ook hier hoger liggen, zij zijn begraven op het kerkhof van Esterwegen. Vanaf 1942 zijn hier hoofdzakelijk door de Wehrmacht veroordeelde gevangenen ondergebracht, soldaten die gedeserteerd waren of als dienstweigeraars hier zijn ondergebracht, aangevuld met buitenlandse gevangenen uit hoofdzakelijk Polen, Tsjechie en Frankrijk. In de eindfase van de oorlog, was het aantal gevangenen geslonken tot 167, die werden overgebracht in februari 1945 naar Lager II Aschendorfermoor. Van dit kamp is behalve een rij kastanjebomen, en een herdenkingspaneel, niets meer terug te vinden.

Lager V Neusustrum. Voor oorspronkelijk 1.000 gevangenen bedoeld, en in september 1933 opengesteld. Hier werden hoofdzakelijk politieke vluchtelingen opgesloten, tegenstanders van het Nationaal Socialisme. De bewaking bestond uit SS bewakers, maar die werden binnen 2 maanden afgelost door SA bewakers. De terreur van de SS was aanleiding om hen te vervangen door minder fanatieke bewakers, maar in de praktijk, hebben de gevangenen daar niet veel van gemerkt. In april 1934 werd het kamp overgenomen door het ministerie van Justitie, en werden hier normale gevangenen ondergebracht die vanuit heel Duitsland kwamen.. In november 1935 werd een opvangstop uitgevaardigd, vanwege overbevolking.
Men maakte daar een eind aan, door de capaciteit te vergroten tot 1.500 gevangenen in april 1937, en mede daardoor nam de bewaking toe tot 300 SA mannen en justitiebeambten. Na deze uitbreiding, waren er opvallend veel homoseksuelen opgesloten. Ook in dit kamp, zware arbeid, weinig te eten, slechte kleding, lange arbeidsdagen en zware mishandeling met soms de dood tot gevolg. Van 248 omgekomen personen is een procesverbaal opgemaakt, maar het werkelijke aantal zal ook hier hoger liggen, zij liggen begraven op het kerkhof van Esterwegen begraven. De gevangenen moesten voor deze 300 bewakers, ook een ontspanningspark inrichtten, hier werd ook het Emslandhuis gebouwd in 1935, welk huis op persoonlijke titel van Adolf Hitler gesticht is. Van het amusementspark zijn het meertje met een eilandje in het midden, en delen van de beplanting nog aanwezig, alsmede een gedenkteken. Van eind oktober 1940 tot het eind van 1943 zaten hier 1750 Poolse gevangenen, 450 Franse en Belgische gevangenen, en vreemd genoeg 60 Joden., die men uit alle in Emslandse kampen had verzameld, in Neusustrum ingesloten. Vanaf 1944 werden uitsluitend veroordeelden opgesloten welke door de Wehrmacht rechtbanken waren veroordeeld.
In februari 1945 bevonden zich nog maar 281 gevangenen in Lager Neusustrum.
Overigens in het overgebleven gedenkteken na de oorlog gewijzigd, is het hakenkruis in de top vervangen door het Niedersachsenpferd, en is de tekst aangepast, en staat er nu te lezen: Niedersachsens Pferd, Sage mir, Was sinds ie werd “Dein Geist und meine Kraft, Haben hier Wasten Fruchtbar gemacht”
Van twee gevangenen is het lot doorverteld: August Hennig en Ludwig Pappenheim, zij werden door de bewakers steeds uitgezocht om de vervelendste karweitjes op te knappen. Zo moesten zij wekelijks, ook in de winter de turven die bij het laden op een schip in het water waren gevallen opduiken. Als hij tussendoor op de kant wilde kruipen, werd hun dat onmogelijk gemaakt, omdat het talud besneeuwd en beijzeld was, en hulp door medegevangenen ten strengste verboden was. Als zij dan eindelijk toch op de kant gekomen waren, moesten zij vaak door medegevangenen naar het kamp gesleept en gedragen worden. Het was de bedoeling, dat beiden door zelfmoord om het leven zouden komen, maar de kampleiding had geen rekening gehouden met hun ijzersterke wil om te overleven. In januari 1934 werden beide mannen naar het veen gebracht onder leiding van 2 SS’ers, en zijn zoals in de officiële papieren te lezen staat, “Auf der Flucht erschossen”, gewoon vermoord dus.
Van het kamp is dus het meertje en het gedenkteken, zij het in gewijzigde vorm overgebleven, en staat er op de plek van de voormalige ingang, enkele gedenkstenen, o.a. staat op een van deze stenen, dat er tussen 1947 tot 1960 mensen uit verschillende delen van Duitsland hier in Sustrum een nieuw bestaan hebben opgebouwd, en zij gedenken de slachtoffers van de oorlog en diegenen die uit hun land verdreven zijn.
Een andere herinnert aan de Polen die hier gevangen hebben gezeten van 1940-1943.

Lager VI Oberlangen. In de herfst van 1933, en door SA mannen bewaakt. Na een principieel besluit, om de gevangenen in te zetten om de omliggende woeste gronden te ontsluiten en te ontginnen, werd het kamp al in april 1934 overgedragen aan het ministerie van Justitie. Door harde arbeid, moesten de gevangenen bestraft worden, en de ontginning bespoedigd worden. Gemiddeld waren hier in 1935 ca. 788 gevangenen ingekwartierd, en was ca. 80 % inzetbaar op de woeste gronden. In september 1938 was met 1.000 gevangen het kamp volledig bezet. In september 1938 werden 500 gevangenen overgebracht naar de Pfalts voor de bouw van verdedigingswerken aldaar. In de zomer van 1939 was het aantal gevangenen weer opgelopen tot tussen 800-1000 personen. In september 1939 werd Oberlangen als Krijgsgevangenkamp met de aanduiding stamlager VI b aan Lager IX Versen toegevoegd, onder Opperbevel van de Wehrmacht. Het werk in dit kamp was niet eenvoudig, en beslist zinloos. Wekenland was men dagelijks met 5-600 man in het wisselende hei en moerasgebied bezig om sloten te graven, 1.10 meter breed en 0.80 tot 1.30 meter diep, plaggen van heide moesten de wanden vormen, en als dat niet secuur genoeg gebeurde stortte de hele boel in. De schoppen waren nieuw en niet geslepen, en met die stompe spaden moest men door de wortels en taaie heide steken, met handen die dat werk niet gewoon waren, kapotte handen waren het gevolg. Wanneer men er een in die dagen een gangbare stoommachine voor had ingezet, was het werk in ca. 2 dagen geklaard.
Tussen 1940-1941 was het kamp volgestopt met ca. 1400 Poolse officieren, in de herfst van 1941 met 2000 Russische soldaten, en in 1943 werd het een krijgsgevangenkamp voor enkel officieren. In september 1944 zaten er 4.967 Italiaanse officieren en 920 krijgsgevangen Russische officieren. Na de opstand van Warschau in Polen, werden hier van december 1944 tot april 1945 Poolse vrouwen die als militair vochten als krijgsgevangenen naar Oberlangen overgebracht. In maart van 1945 bevonden zich ruim 1.700 Poolse “soldatinnen” als krijgsgevangenen in dit kamp, zij hadden meegevochten in hun Armia Krajowa. De omstandigheden, waren evenals in de andere kampen zwaar, met weinig eten, slechte kleding en zware arbeid. In Oberlangen kwam er nog bij, dat de zeer gebrekkige onderkomens in de barakken de verbreiding van ziekte’s tot gevolg had, en mede daardoor het sterftecijfer hoog lag. In april 1945 werd dit kamp door de 1e Poolse Pantserdivisie bevrijd, onder leiding van generaal Maczek, samen met andere geallieerden. Deze Polen hadden grote delen van Noord-Oost Nederland bevrijd, en via Ter Apel trokken zij naar het Oberlangen, kamp VI om daar hun landgenoten uit hun benarde positie te bevrijden. Dichtbij het kamp gekomen, heeft een boer uit de omgeving hun de weg gewezen, en na een kort vuurgevecht is dit kamp bevrijd. De blijdschap van de Poolse vrouwen, bevrijd door hun eigen landgenoten, was enorm, evenals de trots van de bevrijders om hun eigen landgenoten te mogen bevrijden.
In 1995 werd er een gedenksteen geplaatst, ter herinnering aan de ca. 2000 Poolse mannen en 1728 Poolse vrouwen die hier gevangen hebben gezeten.
De straatnaam Lagerstrasse , is de enig tastbare herinnering aan dit kamp.

Lager VII Esterwegen. Samen met Lager I Bargermoor, en Lager V Neusustrum waren zij de concentratiekampen voor tegenstanders van het Nationaal Socialisme. De omheining bestond uit een muur met prikkeldraad, dat prikkeldraad liep schuin naar beneden en stond onder stroom. Daarbuiten een aarden wal met ook prikkeldraad en ook onder stroom, en op de vier hoeken wachttorens die het hele kamp bestreken. Bekend is, dat bewakers in het wilde weg schoten uit tijdverdrijf, en er gevangenen in paniek geraakt, tegen het onder stroom staande
prikkeldraad liepen. Zeker na de poging tot machtsovername werden politieke tegenstanders preventief in bewaring gesteld. Midden augustus 1933 was het noordelijk en zuidelijk deel van het kamp zover gereed, dat alvast 2.000 gevangenen opgeborgen werden. Bij die eerste gevangenen waren vele prominenten, o.a. de Nobelprijswinnaar voor de vrede Carl van Ossietzky, die van 1934 tot 1936 als gevangene nummer 562 hier gedwongen verbleef, journalist pacifist en publicist, die vanwege zijn pacifistische artikelen de Nobelprijs voor de vrede verkreeg. Dat de toenmalige regering daar niet blij mee was, bleek wel, toen hij geen toestemming kreeg die prijs in ontvangst te nemen. Hij zat toen al in dit concentratiekamp. Hij overleed uiteindelijk als gevolg van de ontberingen in gevangenschap opgelopen begin mei 1938 in een ziekenhuis in Berlijn.
Ondanks de willekeur en martelingen door de SS gepleegd, werd dit kamp in tegenstelling tot andere kampen niet door het ministerie van Justitie overgenomen. Sterker nog, van april 1934 tot november 1936 was het SS Totenkopfverbande verantwoordelijk voor systematische mishandelingen die schijnbaar legaal konden worden uitgevoerd, met de verordening die in Dachau in gebruik was, en hier werd overgenomen. In 1934 werd het gehucht Hilkenbrook in gebruik genomen, na zeer zware arbeid van de Moorsoldaten.
Pas in januari 1937 nam de Pruissiche justitie het kamp over, om er “normale” gevangenen in onder te brengen. Zo’n 400 SA mannen en justitiebeambten bewaakten de gevangenen. En ook hier, zware arbeid, slecht eten en onvoldoende kleding, en mishandeling door bewakers, soms met de dood tot gevolg. Na het begin van de oorlog, waren hier veel gevangenen ondergebracht, die door de Wehrmacht waren veroordeelt, omdat zij geen dienst wilden nemen. In het voorjaar van 1943 werd door de machinebouwfirma Klatte bij het kamp een werkplaats opgericht, waar gevangenen uitrustingsstukken van het leger moesten herstellen. Van mei 1943 tot april 1944 werden in het zuidelijk deel van het kamp onder strenge geheimhouding, in totaal 1.800 leden van de ondergrondse uit de bezette gebieden ondergebracht, de zogenaamde “Nacht und Nebelgefangenen”, vooral uit Belgie. Nacht und Nebelgefangenen hadden die naam te danken aan het feit, dat zij na hun arrestatie zonder een spoor na te laten werden afgevoerd, en geen enkel contact met de buitenwereld mochten hebben, zodat niemand wist waar ze waren gebleven, en of zij nog in leven waren.
Van 896 gevangenen is een akte van overlijden opgemaakt, maar het daadwerkelijk aantal omgekomen gevangenen zal in aantal veel hoger zijn. De doden zijn op het kerkhof van Esterwegen ter aarde besteld. Op het eind van de oorlog waren nog 814 gevangenen in het kamp aanwezig. Dit kamp had de bijnaam: “De hel aan de bosrand”.
Het grondstuk en de barakken van dit kamp, zijn tot 2000 in gebruik geweest bij het Duitse leger als depot, weliswaar zijn de barakken verplaatst en zijn anno 2005 niet meer origineel, maar men herkent toch de kampstraat en de bomen die er stonden en nog grotendeels staan.
Er gaar stemmen op, nu de Wehrmacht het terrein heeft opgegeven, om het weer terug te brengen in oude staat om zodoende de herinnering levendig te houden, en er zijn schoolkinderen in alle leeftijden in 2005 bezig geweest, om opgravingen te doen, en zodoende oude bestratingen en fundamenten van het kamp weer zichtbaar te maken.
Op ca. 5 kilometer van het voormalige kamp richting Papenburg aan de B 401, ligt het Friedhof  “Esterwegen”, op een terrein in de bossen, wat voordien de naam “Teufelsberg” had.

In de jaren 50-60, lag dit kerkhof er verlaten en verwaarloost bij, maar een Duitse journalist schreef erover, “Deze plaats ziet er onverzorgd en vergeten uit, het gras wat over de graven groeit, moet kennelijk de geschiedenis van de Emslandkampen toedekken”.

Protesten van o.a. oud Moorsoldaten, maar ook van de plaatselijke politiek en vanuit de deelstaat Niedersaksen, hebben ervoor gezorgd, dat het een indrukwekkend kerkhof is geworden, met vele herdenkingsmonumenten, een voor de onbekende doden, een voor de Luxemburgse doden, een voor Carl von Ossietzky, een gedenkmonument met drie slanke gebogen zuilen, een monument voor de omgekomen vrijmetselaars, een groot houten kruis door Duitse christelijke jongeren opgericht, en een overdekt monument met 8 zuilen met daarop de namen van alle 15 kampen Het hele veld is verdeeld in rijen, met daarin vele betonnen palen, ontelbaar vele palen, hoeveel mensen hier begraven liggen is niet geheel duidelijk, maar een namenlijst uit maart 1946 geeft 1295 namen weer.
Op deze begraafplaats vinden jaarlijks bijeenkomsten plaats op verschillende data,s en een der indrukwekkendste is die, in april-mei elk jaar, waarbij het lied van de Moorsoldaten gezongen wordt, afwisselend in Duitse en Nederlandse tekst.

Lager VIII Wesuwe. Dit kamp werd gebouwd voor de opvang van 1.000 gestrafte gevangenen, die zouden worden ingezet om in het gebied van de Altkreis Meppen, het veengebied te helpen ontginnen en te cultiveren. In juni 1938 kwam het kamp gereed, maar door de politieke spanningen als gevolg van de Duitse aanspraken op Sudetenland, werden 8 barakken weer afgebroken en in Zweibrucken (Pfaltz) opnieuw weer opgebouwd, om daar ingezet te worden voor gevangenen, die werden ingezet voor de bouw van de zogenaamde “Westwall”, een verdedigingswerk. Tot mei 1939, werd het kamp verder weer opgebouwd, maar bleef leeg tot september 1939, toen het kamp samen met krijgs-gevangenkamp Lager IX Versen onder commando kwam van de Wehrmacht kwam te staan.
Ook de jaren 1939-1940 waren er maar weinig soldaten als krijgsgevangenen ondergebracht, maar dat veranderde snel toen de oorlog in alle hevigheid toenam, zeker toen de verovering van de Sowjet Unie begonnen was. In september 1941 zaten in Lager VIII Wesuwe 2.100 Russische krijgsgevangen soldaten opgesloten, waaronder vele officieren. Deze officieren werden niet behandeld als officieren zoals gebruikelijk volgens internationale verdragen, maar als soldaten in de laagste rang, enkel omdat het Russen waren, die volgens de Duitsers een gebrek aan opvoeding, traditie en opleiding en houding hadden. In mei 1942 werd Wesuwe, en VI C (Bathorn), en in 1943 officierslager Oberlangen VI samen ingedeeld onder het oppercommando van de Wehrmacht.
Harde zware arbeid was ieders deel in de turf en op de woeste gronden, en gezien de kommervolle omstandigheden van huisvesting en te weinig voedsel en kleding, en het ontbreken van gezondheidszorg en hygiene, leidde tot de dood voor talrijken.
Ook appel’s, waren er voor iedereen, ook al liet de gezondheidstoestand dat niet toe, men werd er desnoods heengeslagen, ook vluchtpogingen werden zeer streng hardhandig afgestraft.
En als gevolg van de rassenideologie van het Nationaal Socialisme, en de uitgesproken hekel aan communisten, zorgden voor een hoog sterftecijfer onder de Russische krijgsgevangenen.
Bij eventuele vluchtpogingen werd er ook vaak geen waarschuwingschot gelost, 1 kogel om de vluchteling dood te schieten was al erg genoeg, en had hij zijn schop nog bij zich, dan kon men de kogel bewaren. Op het kerkhof van Wesuwe, liggen 98 krijgsgevangen soldaten in enkelgraven met een naam, en dat is bijzonder, en maar liefst tussen 2.000 en 4.000 personen in 3 massagraven, men hield zelfs het aantal niet bij.
En een gedenksteen voor “Unbekannte Aulandische Kriegstote”

Lager IX Versen. In de zomer van 1938 werd dit kamp ingericht voor 1.500 gevangenen. Omdat de Reichsarbeitsdienst zich teruggetrokken had uit de linker Emsland gebieden, omdat daar uitsluitend door krijgsgevangenen het werk gedaan mocht worden. Aansluitend aan die gebieden, en de behoefte aan goedkope arbeidskrachten, werd daarom in Versen een nieuw kamp ingericht. Ruim 900 personen vonden daar direct werk, maar de Wehrmacht nam in september 1939 het kamp al over, om ook daar krijgsgevangenen onder te brengen, en werd samengevoegd onder Oppercommando van de Wehrmacht, samen met Kriegsgefangenen-Mannschaftsstammlager VI b, en in mei 1942 kwam daarbij VI c (Bathorn).
In december 1939 waren er in Versen 50 krijgsgevangenen, in september 1941 ca. 300 krijgsgevangenen. In 1943/44 nam het kamp hoofdzakelijk Italiaanse krijgsgevangenen op, en vanaf november 1944 gevangenen uit het concentratiekamp Neuengamme bij Hamburg, en tot maart 1945 bleef dat een buitencommando van dat concentratiekamp Neuengamme.
Krijgsgevangenen moesten werken in de steenfabrieken, kleigaten en of in het turf werken. De gevangenen uit Neuengamme werden gedwongen om verdedigingswerken aan te leggen. De zgn. “Friesenwall” die volkomen nutteloos en zinloos was vanuit militair oogpunt bezien, loopgraven aanleggen in een bos, of de vijand met al zijn materieel door een bos komt aangereden. Tussen 16 november 1944 tot januari 1945 hebben de gevangenen geen droge draad aan hun lijf gehad, met daarbij slechte voeding, slechte of geen huisvesting, zeer lange werkdagen, onvoldoende kleding en die eeuwige regen, het heeft veel gevangenen hun leven gekost. En helaas ook hier, door de zware arbeid en het ontbreken van de meeste elementaire zaken, en de willekeur en mishandeling van de bewakers, waren hier veel doden te betreuren. Op het kerkhof van Versen bevinden zich in massagraven, 197 gevangenen van het buitencommando Neuengamme, en 71 gevangenen uit o.a. Lagern Bargermoor, Esterwegen en Neusustrum. Toen gealieerde troepen het kamp naderden voor de bevrijding, zijn de overgebleven gevangenen naar Neuengamme getransporteerd, maar dan wel lopende via Meppen, Cloppenburg, Bremen, Hamburg naar Neuengamme. De ernstig zieken en die niet konden lopen, werden per vrachtwagen naar Farge bij Bremen, en 40 zwaarste zieken, werden ter plekke doodgeschoten.
Het kamp werd na de oorlog in gebruik genomen als gevangenis, en de barakken vervangen door stenen gebouwen, en heden ten dage is het nog steeds een gevangenis.
100 meter verderop is het kerkhof van Versen, waar verschillende landen hun doden met een gedenksteen hebben geëerd, de Denen die overigens telkenjare naar deze plek komen begin september om hun kameraden te herdenken, al is hun aantal sterk geslonken, de Italianen, en 4 grote zuilen met de namen van de slachtoffers die bekend zijn, en hier begraven zijn, al dan niet overgebracht vanuit andere kerkhoven. Ook zijn in Versen 38 Puttenaren omgekomen, en 20 mensen afkomstig uit andere plaatsen, die ten tijde van de razzia in Putten de pech hadden in Putten te zijn. Vele van die personen zijn na de oorlog in hun eigen plaats van herkomst herbegraven, maar niet alle. Een Nederlands herdenkingsteken heb ik in Versen niet gevonden.

Lager X Fullen. Oorspronkelijk diende het kamp voor de ontwikkeling en het cultiveren van een deel van Emsland, en om de werkelozen aan arbeid te helpen. Na de afbouw van de Rijksarbeitsdienst, nam de Wehrmacht het kamp over, en liet het inrichtten voor 1.000 strafgevangenen. Grote aantallen gevangenen werden overigens afgevoerd om de zogenaamde “Westwall” te helpen meebouwen. Verbleven er in september 1938 nog 1.200 gevangenen, in oktober 1939 was dat aantal tot 800 teruggelopen. Na een nieuw overleg tussen het Obercommando van de Wehrmacht, en Reichsjustitieverwaltung en het land Pruissen, werden in het Lager Fullen vanaf september 1939 ook krijgsgevangenen ondergebracht, maar hun aantal was erg klein in het begin. Na de veroveringsveldtochten, nam hun aantal drastisch toe, en bevonden zich in september 1941 1.700 gevangen genomen Sovjet soldaten in Fullen. In de herfst van 1943 bevonden zich ook ca. 1.200 Italiaanse krijgsgevangen genomen militairen onder de inwoners, evenals enkele hoge Italiaanse officieren.
Na de capitulatie van Italië, kregen de Italiaanse militairen de keus, meevechten met de Duitsers, of afgevoerd worden naar Duitse krijgsgevangenkampen.
Evenals de door Justitie veroordeelde gevangenen, moesten ook de krijgsgevangenen zware arbeid verrichtten in het veen, maar ook werd er arbeid verricht in verschillende ambachtelijke bedrijven. Ook Fullen heeft met zijn zware arbeid, kommervolle leefomstandigheden, en zware mishandelingen, vele doden onder zijn kampbewoners.
Uiteindelijk werd het kamp door de Polen bevrijd, en die maakten korte metten met het kamp, zij staken het simpelweg in brand.
Van het kamp rest ons niets meer, dan enkel een bordje aan een lantaarnpaal, schijnbaar achteloos achtergelaten.
Op het kerkhof van Lager Fullen, rusten naast 137 met naam bekende personen uit verschillende landen, ca. 1.500 onbekende krijgsgevangenen uit de Sowjet Unie. Ca 750 Italianen zijn vanuit het kerkhof Fullen herbegraven op het Italiaanse Erekerkhof in Hamburg. Ook zijn hier op een aparte plek 145 Polen begraven in de periode 1945-1948, mannen vrouwen en kinderen die na de oorlog in Haren cq Maczkaw overleden zijn.

Lager XI Gross Hesepe. Ook dit oorspronkelijke werkkamp voor de ontginning en in cultuur brengen van Emsland met zijn woeste gronden, werd na het verlaten van de Rijksarbeidsdienst overgenomen door Justitie, die er 1000 strafgevangenen in onder wilde brengen. Maar de Wehrmacht, verplaatste 7 barakken naar de zogenaamde verdedigingswerken “Westwall” in westelijk Duitsland, en na terugkeer van die barakken, werden in juni 1939 het kamp heropent maar werd niet meer voor strafgevangenen gebruikt.
In september nam het Oppercommando van de Wehrmacht het kamp over en liet er krijgsgevangenen onderbrengen, en werd als Kriegsgefangenenmannschaftsstamlager VI c aan Versen toegevoegd. In 1939 was Gross Hesepe een doorgangskamp voor Poolse krijgsgevangenen. In de zomer van 1940 werden alle Franse krijgsgevangen genomen soldaten in dit kamp opgesloten, en na de Duitse opmars naar Rusland, kwamen daar de Russische krijgsgevangen soldaten bij. In september waren ca. 1.500 krijgsgevangenen hier geïnterneerd. Na 1943 werden hier ook 2.175 Italiaanse krijgsgevangenen waaronder 1.060 stafofficieren, 750 onderofficieren en 380 soldaten ondergebracht. Ondanks, dat iedereen volgens het toen geldende Volkenrecht gelijk behandeld moesten worden, werden de Russische krijgsgevangen door de bewakers zeer zwaar mishandelt, en gebruikten zij hun wapens zonder pardon tegen hen. De Russen, werden als Bolsjewieken als de doodsvijanden gezien van het Nationaal Socialisme van Hitler, en daardoor hadden zij het recht op een eerlijke behandeling verloren volgens de Nazi’s.
De Russen kregen dan ook geen onderkomen, en sliepen doorgaans in de openlucht, zomer en winter, kregen ook geen gereedschap om bijv. holen te graven, en eten kregen zij niet of nauwelijks. Wel werd van hun verwacht, dat zij zware arbeid in het veen verrichtten, en vielen zij van honger en uitputting neer, dan werden zij veelal door de bewakers ter plekke doodgeschoten, tot ontzetting van de plaatselijke bevolking.
De doodgeschoten Russen werden ook als oud vuil achtergelaten.
Van hogerhand was immers het bevel gekomen, hoe meer Russen er sterven, hoe beter voor ons en het Nationaal Socialisme.
Vanaf 1941 werden de krijgsgevangenen op bevel van Hitler persoonlijk ingezet bij de landbouwbedrijven en industriele bedrijven, alsmede in bij de steenfabrieken en de daarbij behorende kleiputten.
In Gross Hesepe zijn maar 872 sterfgevallen geregistreerd, 17 Fransen, 6 Polen, 3 Belgen, 3 Joegoslaven en 1 Griek.
De daadwerkelijke aantallen zijn ongelooflijk veel hoger, de Italianen zijn in eerste instantie begraven in Fullen, dat waren er ca. 750, en de Russen in Dalum, en hun aantal ligt naar schatting tussen 8.000 en 16.000, Russen waren voor de Duitsers nog niet waard, dat men hun aantal bijhield.
Van het originele kamp zijn nog enkele barakken overgebleven, maar staan op de nominatie afgebroken te worden. Ook staan er nog enkele locomotieven en lorries, die gebruikt werden voor personenvervoer naar het veen

Lager XII Dalum. In voorjaar van 1938 werd Lager XII Dalum ingericht voor 1.500 strafgevengenen. Kort na het in gebruik nemen van het kamp, werden 10 barakken gedemonteerd en naar Zweibrucken overgebracht, waar zij bij de “Westwall” werden ingezet.
In mei 1939 werd het kamp weer opnieuw opgebouwd, en in september nam de Wehrmacht het kamp over, en voegde het toe aan VI c. In de eerste fase van de oorlog bleef het kamp betrekkelijk leeg, maar na de verovering van grote delen van West Europa nam het aantal sterk toe, voornamelijk Fransen en later Russen. In september 1941 werden in Dalhlum 4.100 Russische soldaten krijgsgevangen gehouden. In 1942 bracht de Luftwaffe in lager XII apparatuur en gereedschap onder. Vanaf januari 1945 werden gevangenen uit Neuengamme in Dalum ondergebracht, en werden ingezet om in Emsland verdedigingswerken te bouwen. In maart 1945 werden die weer teruggestuurd naar Neuengamme, lopende, een afstand van zeker ruim 250 kilometer. Van de 700 honderd, zijn er geen 50 overgekomen.
Harde en zware arbeid, slechte voeding, gebrekkige en ontoereikende huisvesting, en ook nog overvol, hebben samen met zware mishandeling en ziekte door epidemieen een zware tol geeist. Hoofdzakelijk werden zij bij cultiveringarbeid en in het veen ingezet, en na 1941 ook bij verschillende landbouwbedrijven en fabrieken. Op het kerkhof van Dalum rusten tussen 8.000 en 16.000 onbekende Russische krijgsgevangenen in massagraven, en daarnaast nog 38 met naam bekende Russen, en 1 met naam bekende Italiaan en 9 onbekende krijgsgevangenen in eenmansgraven. Ook hebben in dit kamp van november tot eind december 1944 tussen 1.000 en 3.000 Rotterdammers aanwezig, opgepakt tijdens grootschalige razzia’s in Rotterdam, waarbij de Duitsers alle weerbare mannen hebben opgepakt, en die over heel Duitsland verdeeld werden.
Van dit kamp zijn drie stenen zuilen bewaard gebleven, waar ooit het toegangshek aan vast hing, en een enkel bordje aan het trafohuisje, “Lager Dalum” met de tekst “Hochspannung. Vorsicht! Lebensgefahr”

De kampen Wietmarchen, Bathorn en Alexisdorf liggen in het graafschap Bentheim, enkele kilometers verwijderd van Emsland, maar maken onmiskenbaar deel uit van de groep van Emslandkampen, vandaar dat zij hierbij ook beschreven zijn.

Lager XIII Wietmarschen. In mei 1938 werd Wietmarschen ingericht voor het onderbrengen van 1.000 strafgevangenen, maar kort daarop weer gedeeltelijk afgebroken omdat men de barakken nodig had voor het bouwen van de Westwal. In juni 1939 zaten ca. 500 personen gevangen op verzoek van justitie in dit kamp gevangen. Eind september 1939 had justitie dit kamp verlaten, en werd het als bijkamp van Stalag VI Bathorn overgenomen als verzamel en doorgangskamp voor Poolse en West-Europese militaire krijgsgevangenen. In 1941 bevonden zich hier 2.700 Russische krijgsgevangen.
Het onderbrengen van de Russische gevangenen, werd zo goedkoop mogelijk gehouden, dat betekende, dat verpleging, voedselvoorziening, onderdak en kleding absoluut onder het bestaansminimum lag, en te vergelijken is met de uitroeiingspolitiek van de Joden.
Grote aantallen stierven dan ook door honger en uitputting, terwijl ook besmettelijke ziekten uitbraken, waarbij hun enige vorm van verzorging werd onthouden, bang dat men zelf werd besmet. Sterker nog, men werd totaal van de buitenwereld afgesloten, en de verzorging werd gedaan door medegevangenen, zonder dat daarbij enige hulp geboden werd, door bijv. medische voorzieningen of voedsel. De vraag naar arbeidskrachten in Duitsland bracht enige verbetering onder de Russische krijgsgevangenen, maar aan hun toestand van rechteloosheid, veranderde niets. Men werd hooguit iets langer in leven gehouden om arbeid te verrichtten.
In februari 1945 was het “Krankenlager” Wietmarschen met 2.498 krijgsgevangenen bezet, hoogstwaarschijnlijk allemaal Russen.
In april 1945 is het kamp met zijn inwoners bevrijd, en heeft het nog dienst gedaan tot november 1945 als onderkomen voor Poolse militairen, die na de oorlog vanwege de bezetting door de Russen van hun land, niet terug konden.
Op het kerkhof van Wietmarchen, zijn in eerste instantie velen begraven, maar na protesten van de inwoners, werden de krijgsgevangenen begraven in Dalum, en pas vanaf augustus 1944 in Wietmarschen, op het eigen kampkerkhof, door de plaatselijke bevolking, Russenkerkhof genaamd..
Hoeveel er daar begraven zijn, is volstrekt onduidelijk, zoals al eerder geschreven, aantallen hield men van dode Russen niet bij, ook niet met de Duitse “Grunlichkeit”. Een indicatie zou kunnen zijn, dat enkel in Januari 1944, 155 Russen gestorven zijn, en een rekensommetje geeft dan aan, in de 8 maand dat hier begraven is, een totaal van om en nabij 1.200 personen.
Wel staan er enkele gedenkstenen of zuilen, een heeft het opschrift: “ Auslandische Kriegstote 1939-1945 ” op een bronzen tafel staat “Hier ruhen ca. 150 Tote der namen unbekant sind, zum grossten Teil Sowjetischen Kriegsgefangene”   van twee Serven en twee Sovjetburgers zijn de namen bekend, die zijn hier herbegraven in november 1967, vanuit Nordhorn.
Van het kamp zelf, rest ons niets meer, op de plek van het kamp staat nu een deel van de huizen van het dorp Wietmarschen.

Lager XIV Bathorn. Dit kamp werd in juni 1938 opgebouwd, en vrijwel direct weer gedeeltelijk onttakeld omdat de barakken nodig waren voor het bouwen van de zogenaamde Westwal. Was het bedoelt voor 1.000 gevangenen van justitie, waarvan in augustus 1939 ook daadwerkelijk 228 veroordeelden geregistreerd stonden, Werd het in september 1939 door het Oberkommando van de Wehrmacht overgenomen voor de huisvesting van krijgsgevangenen. Bathorn werd stalag VI C Bathorn, en daar kwamen later aan toegevoegd, Lager Gross Hesepe, Dalum, Wietmarschen en Alexisdorf.
In 1939 al kwamen daar voor korte tijd, ca. 5.000 krijgsgevangenen, op 4 december kwamen door nog eens 571 Polen bij, en dat allemaal in een kamp, die van opzet bedoeld was voor 1.000 justitiegevangenen. Al deze gevangenen werden ingezet voor de wegenbouw, graven van waterwegen en in de landbouwbedrijven in het graafschap Bentheim.
Vanaf mei 1940 kwamen daar nog vele Nederlandse krijgsgevangenen bij, die hier overigens maar enkele weken verbleven. Na de Nederlanders, volgden de Fransen, die op het strand van Duinkerken gevangen genomen waren, en die via een lange en barre tocht van drie weken dwars door Noord Frankrijk, België, Nederland en een klein stukje Duitsland, zwaar gedemoraliseerd en volkomen uitgeput hier aankwamen, na ruim 450 kilometer. Hun aantal beliep zo’n 10.000 krijgsgevangenen. De pastor tolk Werner Koch, die hier zijn dienstplicht moest vervullen, komt op het idee om een kamporkest samen te stellen, omdat hij ontdekte dat vele leden van een beroemd Frans orkest “Lamoureux” zich onder de gevangenen bevinden, ook richt hij een atelier in voor kunstzinnige gevangenen. Veel van deze kunstzinnige arbeid, in tekeningen, liederen, variate en theateraankondigingen zijn na zijn dood geschonken aan het DIZ in Papenburg
De Engelse militairen die ook op het strand van Duinkerken waren, hebben de Duitsers laten ontsnappen terug naar Engeland, op bevel van Hitler, in de hoop dat hij met Engeland een aparte vrede kon sluiten.
Op 10 september 1940 liggen voor het eerst precieze aantallen krijgsgevangenen vast op papier, voor Bathorn als hoofdkamp met zijn 4 bijkampen, zijn 16.552 gevangenen geregistreerd, 13.060 Fransen, 343 Engelsen, waarvan er op 25 oktober 1940 nog maar twee in Stalag VI C Bathorn verblijven, 943 Belgen en 2.206 Polen. Daar komen op 1 mei 1940 nog bij 593 Jugoslaven, 1 juni 1.450 Serviers, en op 1 augustus 5.984 Russen.
Het hoogste aantal bereikt men op 1 september 1941, 27.313 krijgsgevangenen, waaronder 11.441 Fransen en 13.973 Russen, verdeeld dus over 5 kampen.
Het kamp Bathorn met zijn bijkampen was eigenlijk bedoelt voor 5.500 krijgsgevangenen.
Het kamp Bathorn werd door de Canadezen bevrijd, en heeft men hier na verbouwingen Polen en Oekrainers ondergebracht, 1.800 in oktober 1945, die niet terug konden naar hun geboortegrond, in de jaren 50 was het tijdelijk een gevangenis van justitie, en nadien is het afgebroken, en is hier het gehucht Bathorn ontstaan.
Een elektriciteitshuisje stamt nog uit de tijd van het kamp, en restanten van een brugpijler staan nog in het Coevorden-Picardie kanaal.

Lager XV Alexisdorf. Dit kamp gebouwd in mei 1939,was oorspronkelijk bedoeld voor 1.000 justitiegevangenen, maar werd al in september 1939 overgenomen als bijkamp van Stalag VI Bathorn. Van 1939-1940 zijn geen papieren bewaard gebleven, zodat enkel vermoed kan worden dat het gebruikt werd voor Polen, Fransen en Nederlanders als doorgangskamp. In 1941 waren hier 3.900 Russische krijgsgevangenen ondergebracht, waarvan er 712 ingezet werden in de omliggende landbouwbedrijven.
In tegenstelling tot Franse krijgsgevangenen die over een vrijwel complete uitrusting beschikten, waren de Russen zeer slecht gekleed, een Duitse gevangene herinnert zich nog goed, dat een paar honderd Russen te voet in de richting Hoogstede moesten afmarcheren, met maar een enkele die schoenen aan had, en nog enkelen met lappen om hun voeten gebonden, de rest barvoets, en dat midden in de winter, terwijl het ook nog sneeuwde. Andere kleding bestond uit zomerkleding, of wat daar nog van over was, dat omdat zij in de zomer in dit kamp gearriveerd waren, maar wat hem het meeste bij gebleven was, waren hun magere lichamen. Velen werden dan ook ziek, besmettelijke ziekten zoals tuberculose, longontsteking, en difterie braken uit, verpleging in het lazaret bracht geen uitkomst, zodat velen van honger stierven. Een tot tweemaal in de week kwam een brigadewagen die tot een vrachtwagen omgebouwd was voorbij, die de lijken van de Russen op kwam halen, om af te voeren naar Fullen, om daar in een massagraf te verdwijnen.
Eens waren er enkele Russen van een groep van 150 verdwenen bij het appel, iedereen moest aantreden, en werd het moeras en heideveld ingestuurd om te zoeken. Omdat er greppels gegraven waren, die met gras etc. begroeid waren was het niet moeilijk om je daar te verstoppen, de Duitse bewakers, schoten tussen de gevangenen door in het hoge gras, en het duurde niet lang of her en der verschenen de verdwenen gevangenen, die snel een plaats innamen tussen hun kameraden, om zo aan hun straf te kunnen ontkomen.
Omdat iedereen gedreigd werd met straf, kwamen de voortvluchtige uit de rij getreden, en werden meteen met een dikke knuppel dermate mishandeld, dat er een groen begon over te geven, het gras wat hij hadden gegeten tegen de honger, kwam eruit. De volgende morgen waren alle Russen van de groep van 150 verdwenen, naar later bleek doodgeslagen of zwaar mishandeld. Een voormalige wachtsoldaat Jan-Harm H. bevestigd dit bericht, die Russen kwamen met Lorries, dode en levende, de doden hebben wij op lorries gelegd, een keek mij aan en wenkte mij, maar ook hij moest mee de kuil in, in het massagraf.
Op het eind van de oorlog, was Alexisdorf geworden tot een Russisch lazaretlager, ziekenkamp, 2 barakken waren bestemd voor isoleerbarakken met open TB, zij werden verpleegd door Russische verplegers, die zelf die ziekte gehad hadden, en daardoor immuun geacht werden.
Een verpleger uit die tijd, heeft zijn herinneringen op papier gezet in 1982.
Hij beschreef de verpleging als zijnde voor de helft tot drie kwart zoals voor Duitse soldaten, de verwarming door kanonovens zelfs bij toebedeling van turf, armetierig. Maar hygiene werd met zorgvuldigheid uitgevoerd, wekelijks douchen met warm water en wekelijks ontluizen, waren verplicht. Maar toch was het dagelijkse dodental hoog. In januari- begin februari 1945 werden alle gevangenen overgeplaatst naar kamp Wietmarschen, en op 17 februari waren enkel 25 soldaten nog in dit kamp. Men had ruimte gemaakt, omdat 3.000 Servische officieren in aantocht waren. Begin maart zijn die in Alexisdorf ondergebracht, maar niet voor lange duur, 14 dagen later zijn zij alweer op doorreis richting Hannover, te voet.
Na de oorlog is het kamp nog bewoond geweest door Poolse en Oekraiense vluchtelingen, en vanaf april 1946 trokken hier vluchtelingen in, allen leden van de Hernhutter Broedergemeenschap. De barakken waren eigenlijk niet bewoonbaar, en door materiaal van onherstelbare barakken te gebruiken, werden toch bewoonbare onderkomens gebouwd. Van een hun toegewezen schip, werden de bedradingen gesloopt, en zo weden de barakken van elektra materiaal voorzien. Gaandeweg der tijd, zijn de barakken vervangen door stenen huizen. De naam Alexisdorf, werd in juni 1946 omgezet in Neugnadenfeld, naar hun oude dorp Gnadenfeld in Oppersilezie.
Tot het voorjaar van 1943 werden de doden begraven in Dalum, alvorens men hier een eigen kerkhof inricht. In het midden van het afgelegen kerkhof staat een Obelisk met de inscriptie: Den hier ruhenden auslandische Kriegstoten zum gedenken”. Op een bronzen plaquette bij de ingang staat: “Hier ruhen in sammelgrubern ca.600 Sowjettische Kriegsgefangene, deren namen unbekant sind. Sie starben zum grossten Teil an Unternehrung und Epidemien”.
Nadat in 1950 door de Verenigde Naties in kreise Bentheim vastgesteld is, dat er op het kerkhof Alexisdorf ongeveer 600 Russische naamloze krijgsgevangenen begraven liggen, komt er een telefonische mededeling en melding binnen, dat het niet om 600, maar om 6.000 personen gaat. Van de laatste 0 is op de oorspronkelijke inscriptie op het kerkhof niets meer terug te vinden, zodat men gemakshalve maar 600 personen aanhoud om vergissingen uit te sluiten. De juistheid van die bewering, zou normalerwijze nagetrokken kunnen en moeten worden, maar is niet gebeurd.

Dokumentations und Informations Zentrum (DIZ) Papenburg.
Aanvankelijk, leek het erop dat de geschiedenis van de Emslandkampen een vergeten geschiedenis zou worden. Voormalige kampen werden legerdepots, gevangenissen en aardappelvelden, en alles werd afgebroken en opgeruimd en daar waar nodig vernieuwd.
Enkel de kerkhoven herinnerden aan de vele slachtoffers, maar dan moest men goed zoeken, enige verwijzing naar de kerkhoven was niet of nauwelijks te vinden. Een TV reportage in 1963, studenten van de Universiteit van Oldenburg die hun Universiteit naar Carl von Ossietzky wilden vermoemen, voormalige gevangenen en twee journalisten Hermann Vinke en Gerhard Kromschrader hebben voorkomen dat de geschiedenis nog meer onder tafel verdween. Aanvankelijk wilden inwoners van Emsland deze geschiedenis graag vergeten, maar enkele jaren later, waren zij gelukkig een andere mening toegedaan. In 1983 verscheen er een boek over de vergeten kampen. In 1979 hield men een vredesdemonstatie op het kerkhof van Esterwegen, en daarna kwamen er steunbetuigingen vanuit heel Duitsland, ook politieke steen. Die politieke steun werd overigens sterk teruggedraaid, de regering vond achteraf een nationaal monument in Bergen Belsen voldoende.
In 1981 werd een actiecomite opgericht, en die heeft de zaken voortvarend aangepakt.
Na het terugdraaien van alle toegezegde steun, kocht het actiecomite zelf een oud pakhuis, en heeft dat als herdenkingscentrum ingericht. Daarna kwam alles in een stroomversnelling, de burgemeester van Papenburg werd een felle pleitbezorger, en eind 1993 is het DIZ ondergebracht in, op de oude plaats van het pakhuis, in een nieuw pand, eigendom van het landkreis Emsland, en komen daar jaarlijks ca. 8-9000 bezoekers, voor de helft jeugdigen.
Ook worden er regelmatig lezingen gehouden, en zijn vaste krachten aan dit instituut verbonden, om de herdenking levend te houden van deze bijna vergeten Emslandkampen.
In al deze concentratie- straf- en krijgsgevangenkampen, 15 in totaal waarvan het bestaan maar bij weinigen bekend is, werden er ca. 80.000 mensen vastgehouden voor korte of langere tijd, en stierven alleen al in Emsland 2.387 gevangenen.
In de krijgsgevangenkampen, werden tussen 100.000 en 180.000 krijgsgevangenen vastgehouden, en stierven er, de cijfers lopen sterk uiteen van 15.000 tot 27.000 mensen, enkel in Emsland. Andere bronnen spreken van enkel al ca. 35.000 Sovjetrussische krijgsgevangenen. Het voormalige kamp Esterwegen wordt nu ingericht en opengesteld voor bezoekers, zodat iedereen kennis kan nemen wat er zich in de 15 voormalige kampen heeft afgespeelt. Naast het kamp staat een klooster, waar enkele nonnen de bezoekers te woord staan. Het zijn nabestaanden van oud gevangenen, maar ook voormalige gevangenen, en voormalige kampbewakers, die allen hier hun verhaal kwijt kunnen. Esterwegen, een plek gegen das Vergessen

Colofoon:
Die lager in Emsland 1933-1945- Landkreis Emsland, Meppen 1999.
Das Emsland, ein illustriertes reisehandbuch- edition Temmen.
Jahrbuch des Emslandisches Heimatbundes 1997
Emsland koerier- weekkrant voor Emsland
Der Wecker- weekkrant voor Emsland
Speurtocht naar de Emslandkampen- Pieter Albers
Auf der Suche nach den Moorsoldaten- Kurt Buck und Hannelore Weissmann
Standaard encyclopedie
Encarta Winkler Prins encyclopedie
Dokumentations und Informations Zentrum Emslandlager (DIZ) Papenburg nu Esterwegen

17 Comments

  1. Ruud Smelt
    september 30, 2006

    Met heel veel interesse gelezen, een groot aantal zaken was mij uit de literatuur bekend maar lang niet alles.
    Gezien ik met een genealogie SMELT bezig ben vraag ik mij af of er iemand is die mij aan genalogische gegevens van Marinus van der Lubbe kan helpen, ook verhalen van zijn familie zijn natuurlijk welkom.
    Ruud Smelt
    r.j.smelt@hccnet.nl

  2. Carol Haest
    mei 20, 2008

    Telkenmale weer wordt men stil. Elk lijden was er een. Elk van de kampen was een oceaan van lijden en nog steeds duiken er oude maar ook nieuwe oceanen op.

    Laten we allen blijven streven naar meer medemenselijkheid in grote en kleine dingen.

  3. Kees Fielstra
    september 23, 2011

    Een zeer uitgebreide beschrijving over de gebeurtenissen in en rond de Emsland kampen staat beschreven in het boek “Gevangen in het veen” van Pieter Albers. Uitgegeven in 2005 door Uitgeverij Noordhoek ISBN 978 90 330 05411. Aan het einde van dit boek staat ook een verhaal over vijf Groningers die door Willi Herold zijn vermoord in Leer (Ost Friesland) Een van die Groningers was mijn vader en pas begin 2010, toen ik door een neef op dit boek werd geattendeerd, ben ik het verhaal over mijn vader te weten gekomen, 65 jaar na dato!

  4. Harrie Wilhelm
    mei 18, 2012

    Mijn vader heeft vermoedelijk in 1944 in 1 van de Emslandkampen gezeten, maar ik weet dat niet zeker en ook niet in welk kamp. Zijn er namenlijsten beschikbaar van strafgevangenen? Zo ja, zijn die ook te raadplegen?

  5. J.M. van der Laan
    oktober 12, 2012

    Een oudoom van mij harrie heeft als krijgsgevangene gezeten, maar ook ik weet niet waar, maar ik heb nu vandaag een aanvraag gedaan bij Nazorg rode kruis, misschien dat je het daar eens kan proberen
    SUCCES

  6. a. Glas-dekens
    januari 14, 2013

    Sinds Febr. 2012 hebben wij dankzij de hulp van een goede vriend een bewijsstuk waarop de naam van mijn vader Jan Dekens wordt vermeld.
    Als krijgsgevangene opgepakt bij de Razzia in de Noordoostpolder op 17 Nov. 1944, en met de trein naar Duitsland getransporteerd. Nu pas hebben we het bewijs door zijn naam op een lijst te zien van het krankenhous Marienheim te Lathen.
    Hier heeft hij 3 maanden gelegen (tot na de bevrijding)

    zie ook Dagboek van Johannes Muis, (internet) en Razzia in de Noordoostpolder van D.A.Klumpje

  7. Henny Klaassen-Vrieling
    april 8, 2013

    Wanneer zijn er in 2013 weer busreizen langs de Emslandkampen?

  8. Kamp in Sudetenland (nu Tsjechië)
    april 24, 2014

    Weet iemand de naam van het kamp in de buurt van Vrchlabi (nu Tsjechië). De Duitse naam was Hohenelbe. Er werkten ook veel mensen van de Arbeitseinsatz in een soort (vliegtuig?)-fabriek.

  9. A.G.M. Heijmerikx
    april 24, 2014

    Voor zover ik kan nagaan, had het geen specifieke naam. Het was een zogenaamd sub kamp en onderdeel van concentratiekamp Groß-Rosen.
    Met vriendelijke groet Anton Heijmerikx

  10. A Naafs
    december 29, 2014

    Ik ben op zoek naar informatie over mijn grootvader, Johan Naafs, geboren augustus 1905. Hij is opgepakt met een razzia in Den Haag en naar een werkkamp in Duitsland gestuurd. Na de bevrijding is hij te voet teruggekomen. Het is niet bekend of hij opgepakt is tijdens ‘operatie sneeuwvlok’ of tijdens een andere razzia. Kan iemand me misschien meer vertellen over de razzia’s in Den Haag gehouden en de werkkampen waarheen de opgepakte mensen gingen? Alvast hartelijk dank!

  11. Laura
    maart 16, 2015

    Reactie, Kamp in Sudetenland. 24-april-2014
    Heeft U genoeg informatie over het kamp bij Vrchlabi gekregen? En waarom heeft U interesse of er een [ vliegtuig ] fabriek heeft gestaan?

  12. Rita Dijkslag
    juni 27, 2015

    Ik had een streekroman van Jo Anne van Arnhem gelezen over dit onderwerp Prachtig geschreven verhaal over een opa die wel gestorven is en een oorlogsgeheim had.Kleindochter ontrafelt dit met behulp van een Duitser die zijn opa ook in Borger Meer zat.daar door intresse ik wist dit niet.gekampeerd in de buurt vd kampen

  13. Bert Wolbert
    juli 12, 2015

    Ik ben bezig te achterhalen hoe 4 Russische soldaten in mijn geboortedorp Rossum (Ov) terecht zijn gekomen en zich aansloten bij de BS. Zij hebben daar ca. 6 maanden ondergedoken gezeten. Mijn vermoeden is dat ze zijn gevlucht uit de Emslandkampen.

  14. Ed Scholl
    oktober 25, 2015

    In Januari 1935 werd een boek uitgegeven in Zwitserland geschreven door Wolfgang Langhoff,
    met de titel:
    Die Moorsoldaten 13 Monate Konzentrationslager.

    Uitgegeven door :Schweitzer Spiegel Verlag 1935.

    Hierin verteld Wolfgang Langhoff zijn ervaringen, het zal voor iedereen duidelijk zijn, dat ondanks zijn boek, uitgegeven in Zwitserland in 1935, het niet te vinden was in de Duitse boekwinkels. In hoe verre het mogelijk was om dit boek Duitsland binnen te smokkelen, zal voor altijd in de nevelen van de geschiedenis verborgen blijven.
    (Om wat voor reden dan ook zou je dit boek willen smokkelen, je speelde met je leven.)

    In het voorschrift, schrijft de uitgever (of schrijver) dat in de toekomst een Engelse, Franse, Amerikaanse,Deense Zweedse, Noorse en Nederlandse uitgave te verwachten is.

    Wat interesant is, is dat de uitgever en/of de schrijver (waarschijnlijk richtlijnen of mischien wettelijke overheids verplichting(Zwitserland) dit boek is geclassificeerd als:

    Unpolitischer Tatsachenbericht.

    In hoevere dit boek, indien het is vertaald, in de eerder genoemde talen ooit vanuit Zwitserland met name naar Engeland en Amerika is verzonden is mij niet bekend.

    Indien het boek inderdaad in het Engels/Amerikaans was vertaald, EN het boek de weg vond naar Amerika en Engeland, dan is de vraag wie van het publiek en de overheden zou er notie van nemen?

    Zoon van een moorsoldaat.
    1943 – 1945.
    Strafgefangenlager I
    Borgermoor
    Barak 8

  15. A.G.M. Heijmerikx
    oktober 25, 2015

    bovengemeld boek, is in Duitsland met toestemming van Schweizer Spiegel Verlags, Zurich, uitgeveven door Druckerei Neuer Weg GmbH met isbn nr.3-88021-226-0

  16. Annelies Meijer-Compter
    november 3, 2015

    Ik ben op zoek naar familieleden die in de buurt van wittenberge te werk gesteld zijn .
    zijn er namen lijsten/registers van personen die in neuengamme of een kamp daar in de buurt gezeten hebben.

  17. Goudsmit Jacob
    januari 18, 2016

    Wie kan iets vertellen over een kamp in Tsjechie in de plaats Wistritz (nu Dubi).

Geef een reactie