heijmerikx.nl

Information

This article was written on 03 jan 2006, and is filled under Religie.

Bedevaartsoorden door de eeuwen heen.

Bedevaartsoorden door de eeuwen heen.
Al sinds 1641 rond de Kerstdagen is Kevelaer in Duitsland, op de hoogte van Venlo, een bedevaartsoord.

De genadekapel herinnert aan de plek waar de H.Maria de moeder van Christus, de marskramer Hendrik Busman had toegesproken, en toen later zijn vrouw op een nacht een in helder licht het kapelletje met een afbeelding van Maria voor de stad Luxem¬burg zag, een afbeelding die vele soldaten in die tijd bij zich droegen als een soort van troost, toen was men ervan overtuigd dat Hendrik Busman opdracht had gekregen op die plek een kapelletje te bouwen.
Hetzelfde prentje is nu te zien in de genadekapel, omgeven door allerlei sieraden en ex voto’s welke door pelgrims werden geschonken. Met de regelmaat van de klok knielen vele pelgrims neer om er te bidden. Kaarsen branden in een soort bak met glas ervoor, zelf mag je in de kapel geen kaarsen branden, bang dat men is voor brand en voor roetaan¬slag op de fraaie beschildering.
Opmerkelijk is, dat aan de buitenkant van de kapel verschillende sleuven zich bevinden, waar men geld kan offeren. De kaarsen branden buiten in grote getale, en het is een feestelijk gezicht. Velen brengen ook kaarsen mee naar Kevelaer, en men kan ze uiteraard ook ter plekke kopen in allerlei soorten en maten, die kaarsen worden naar de speciale kaarsenkapel ge¬bracht om daar aangestoken te worden, langs de wanden van deze kapel staan vele honderden kaarsen die telkens tijdens de kerkdienst elke avond om zes uur worden aangestoken. Maar de meeste kaarsen koopt men toch als aandenken, en menig katholiek kan zich thuis de kaars herinneren welke voor het Mariabeeld stond, en die was meegebracht van de bedevaart naar Kevelaer.
Vele groepen uit heel Europa gingen en komen nog steeds naar Kevelaer, tegenwoordig met modern vervoer, maar in vroeger dagen kwam men te voet. Nu nog komen elk jaar pelgrims vanuit Bonn te voet de 150 km afleg¬gen, ter¬wijl de fietsbedevaarten vanuit verschillende plaatsen uit Nederland van voor de oorlog beroemd waren.
Het kapelletje van Hendrik Busman lag oorspronkelijk middenin een enorm heideveld, met erom heen enkele verdwaalde boerde¬rijtjes, maar na het wonder werd er eerst een priesterhuis gebouwd, het eerste stenen huis dat in 1655 in Kevelaer gereed kwam. Later schoten de kloosters en kerken als paddestoelen uit de grond, want waar mensen komen kan geld verdiend worden, en de kerk was daar in vroeger dagen als de kippen bij.
Nu worden dagelijks kerkdiensten gehouden t.b.v. de 40.000 pel¬grims die jaarlijks naar Kevelaer komen.
De nonnen Clarissen overigens, die in strenge afzondering leven, vormen een uitzondering, zij verzorgen heden ten dage nog de gratis maaltijden voor de armen onder ons, die ter bedevaart gaan. Zij krijgen via een luikje maaltijden aange¬reikt en als je geluk hebt zie je een gezicht van de weldoen¬ster.
Bij de basiliek is een kapel met tientallen biechthokjes, die vroeger uitpuilden, maar tegenwoordig komt men er meer voor een persoonlijk gesprek, bekend is het bezoek van een gevaarlijke terrorist, die na zijn bezoek aan zo’n biecht¬hokje en na een gesprek zijn pistool op het altaar deponeerde en daarna zich bij de politie meldde.
Een wonder zou men zeggen, maar daar is meer voor nodig, vroeger gebeurden er meer wonderen getuige de vele krukken marmeren bordjes en ex voto’s, een afbeelding van datgene waaraan hij of zij leed en waarvan men genezen was, dan kreeg de kerk een z.g. ex-voto (votum = gelofte; ex voto betekent ter vervulling van een gelofte)
Een ex voto is meestal een geschenk in de vorm van het lichaamsdeel dat genezen is. In de middeleeuwen kende men ex voto’s van was. Omdat die veelal werden omgesmolten zijn er geen middeleeuwse voorbeelden over.
Men gaf ook wel eens een ex voto als men hoopte op genezing.
In vroegere eeuwen waren vele pelgrims analfabeet en men kon aan de uithangborden van de verschillende gasthuizen zien, waar men was bijv. De Gouden Zwaan, De Gouden Appel of Altes Gasthaus, Weisses Kreuz waar men sinds ca.1700 de pelgrims ontvangt. Hier gelden ook pelgrimsprijzen, voor een kamer betaald men niet teveel en ook een maaltijd is niet duur, maar specialiteiten kent men nauwelijks, een goed stuk vlees is volgens hun belangrijker dan allerlei liflafjes.Dat er veel handel is, waar veel mensen komen is duidelijk. Rondom Kevelaer zijn veel kaarsenfabrieken, glasblazerijen en orgelbouwers gekomen, ook goudsmeden zijn er neergestreken en een hunner maakt regelmatig werk voor de paus.
Vele tientallen souvenirwinkeltjes zijn er, met veel kitsch. Dat ook een bedevaart mee gaat in de vaart der volkeren bewijst Kevelaer, waar men nu vanaf midden de jaren tachtig een motorbedevaart organiseert met nu na zo’n 10 jaar 2500 deelnemers.
Ook Lourdes is een Mariabedevaartsplaats, in Zuid Frankrijk tegen de Pyreneeën aan gelegen verscheen Maria op 11 februari 1858 aan een meisje, Bernadette Soubirous een eenvoudige molenaarsdochter bij de grot van Massabielle, en sindsdien zoeken duizenden katholieken er genezing of troost. Met als hoogtepunt de lichtprocessie waarbij iedereen met een brandende kaars in de hand in het donker, zingend en biddend de rondgang maakt. In 1864 is er een beeld gehouwen uit wit marmer door de beeldhouwer Fabisch in de grot geplaatst, naar beeld en gelijkenis van Maria, maar volgens Bernadette was dat slechts een flauwe weergave van de “mooie dame� die zij er gezien had.
Op 17 september 1883, 25 jaar na de verschijning van Maria, vertrok de eerste georganiseerde bedevaart naar Lourdes, op initiatief van enkele priesters en leken, die op de heenreis tot een voorlopig comité oprichtten, en een van de eerste regels was, dat er voor zieken altijd plaats moest zijn, en arme zieken gratis mee mochten, voorzover de kas dat toeliet. Ging men eerst vanaf 1884 met een extra trein, vanaf 1913 ging men met 2 treinen, en soms zelfs met drie of vier treinen, en nu gaat men met 5 extra treinen per jaar, in mei juli en oktober. Duurde de eerste treinreizen ca.40 uur, tegenwoordig doet met de afstand in ca. 14 uur, als er geen vertragingen zijn. Ook kan men sinds 1949 met het vliegtuig, eerst met 8 vluchten met 21 personen per vliegtuig, tegenwoordig gaan er duizenden per speciale charter naar Lourdes, en beslist niet enkel ouderen en zieken. Jaarlijks gaat er een jongerenbedevaart naar Lourdes, en moet men er wel moeite voor doen, om jongeren er toe over te halen op bedevaart te gaan, zij komen er bijna allemaal toch wel enthousiast van terug. Om alle bedevaartgangers een plek te geven, om er hun gebeden te bidden, werd er een kapel gebouwd “de Crypte� genaamd in 1866, en een bovengrondse basiliek is ingewijd in 1871, de Rozenkranskerk is ingewijd in 1901, en vervolgens een ondergrondse in het water drijvende basiliek de “Pius X� met een oppervlakte van 12.000 vierkante meter, en plaats biedend aan 25.000 pelgrims, en tenslotte is in 1988 de Bernadettekerk ingewijd die plaats biedt aan 5.000 pelgrims, en soms is er nog te weinig ruimte om iedereen een plek te geven.
Andere bedevaartsoorden zijn Santiago de Compostella in Spanje, waar vele personen naar toe fietsen of lopen, Rome en Vene¬tië in Italië, Constantinopel in Turkije, Jeruzalem in Israël, Mlada Boleslav in Tjechië of Maas¬tricht in Nederland, Fatima, Banneux, Beauraing, Czestochowa, Benares, enzovoort.
Ook dichter bij huis zijn mogelijkheden voor een bedevaart, denk daarbij aan Schalkhaar, Maria van Frieswijk, Hasselt, en de Bonifatiusbron in Dokkum.
Het maken van een pelgrimstocht, dus het reizen naar heilige plaatsen is niet alleen een katholiek gebruik.
Zo gaan de Mohammedanen naar Mekka en bezoeken de Hindoes de Heilige rivier de Ganges, en voor de Mormonen is Salk Lake City hun tempelstad.
In Europa is het bezoeken van heilige plaatsen begonnen vanaf ongeveer het jaar 300 en deze gewoonte werd heel belangrijk gevonden in de middeleeuwen (500-1500). De belangrijkste pelgrims- of bedevaartplaatsen waren die waar Christus geleefd had, of waar mensen die voor hun geloof waren gestorven, en of begraven lagen.
Daarom waren ‘het Heilige land’ Jeruzalem vanwege de plaats waar het begin van het Christendom zijn oorsprong heeft, en Rome, vanwege de apostelen Petrus en Paulus die daar begraven lagen, het meest geliefd.
Bovendien was Santiago de Compostela in Noord-Spanje, met het graf van de apostel Jacobus, erg beroemd, en zijn er heden ten dage nog vele mensen die lopend een gedeelte of de gehele weg afleggen naar Santiago de Compostella, alleen maar ook in groepsverband.
Maar ook plaatsen zoals Aken, Keulen en het eerdere genoemde Maastricht zijn bedevaartsplaatsen, omdat daar relieken bewaard worden.
Een plaats kon ook heilig gemaakt worden door er relieken van heiligen naar toe te brengen. Relieken zijn overblijfselen van heilige personen zoals botten, tanden en andere lichaamsdelen.
In Duitsland, en met name in het katholieke Beieren zijn kerken, meestal in Barokke stijl uitgevoerd, waar in altaren weggewerkt achter glas gehele skeletten van heiligen te bewonderen zijn al dan niet aangekleed met kostbare gewaden, en al dan niet afgewerkt met edelstenen in de oogholtes, persoonlijk kan ik het niet bepaald bewonderenswaardig vinden, maar smaken verschillen, deze skeletten heb ik o.a. gezien in Reichnau (1980) en Ottobeuren (1999) Füssen (2001). Maar ook in de St.Pietersbasiliek te Rome, is zichtbaar voor iedereen ter aanbidding, het gebalsemde lichaam van Paus Johannes XXIII te zien.

Ook voorwerpen die door heiligen zijn gebruikt of aangeraakt, zoals kleren en of gebruiksvoorwerpen, zijn relieken. Er ontstond een levendige handel in relieken, waarvan er velen vals waren. In Turijn bijvoorbeeld, is men er ter plaatse van overtuigd de lijkwade van Christus te bewaren, maar elders twijfelt men daarover.
Een logisch gevolg bij een grote vraag is altijd, dat er mensen zijn die daar gebruik van maken en zo hopen een graan¬tje mee te pikken, terwijl er ook altijd goedgelovige mensen zijn die zich laten bedotten. Relieken waren in de middeleeu¬wen zo belangrijk omdat men geloofde dat je door een reliek, in contact kon komen met de heilige zelf.
Elke heilige had zijn eigen specifieke werkterrein. Heiligen waren bescher¬mers van bepaalde groepen of personen. Ook was er voor elke ramp wel een heilige beschikbaar, zo was Rochius de heilige die men aanriep bij pest, Apollonia voor kiespijn, Antonius voor verloren spullen, Christoffel beschermde tegen een plot¬selinge dood en beschermde op reis, Donatius tegen zwaar onweer. Omdat men nauwelijks mogelijkheden tot verweer had bij misgeboorten, ziekten of ongelukken was de hulp die de aangeroepen heilige zou kunnen bieden heel belangrijk, vandaar het grote belang van relieken.
Ook hadden vele steden beschermheiligen, Amsterdam heeft zijn Nicolaas, Zwolle zijn Michaël, en Deventer zijn Lebuinus.
Ook is het gebruikelijk, dat een kerk een reliek bezit van de patroonheilige waar het naar vernoemd is, zo bezit de basiliek van Raalte een splinter van het H.Kruis, vandaar de H.Kruis¬verheffingskerk.
Als teken van verering borg men de relieken op in kostbare reliekhouders, aanvankelijk waren dat versierde kistjes, meestal van goud versierd met edelstenen. Een van de bekendste bewaard gebleven kistjes is die van de H.Servatius de eertste bisschop van Maastricht (?-384), welke in de schatkamer van de eveneens zo genaamde St.Servatiuskerk van Maastricht te bewonderen is.
In latere jaren werden de relieken achter glas opgeborgen, zodat de gelovige het zelf kon aanschouwen, soms ook zijn de reliek¬houders in de vorm van de reliek, bijv. een lichaamsdeel dan noemt men het een sprekend reliek. Ook zijn relieken opgebor¬gen in heiligenbeelden of altaren.
Om verschillende redenen ondernam men een pelgrimstocht, sommigen zochten hulp bij genezing en hoopten op een wonder, zoals in Lourdes erg gehoopt wordt.
Anderen wilden gewoon op reis.
Met een pelgrimstocht, verdien¬de je ook een aflaat, d.w.z. dat de straf voor je zonden die je na de dood in het vagevuur moest uitboeten, je konden worden kwijtgeschol¬den, en dat was gezien de ideeën over straf, hel en verdoe¬menis niet onbelangrijk. Maar ook hier weer waren het mensen die er een handel in zagen, je kon namelijk bij rondreizende monniken aflaten kopen, en dat was altijd goedkoper dan er daadwerkelijk heen te reizen, en ook minder bedeelden maakten hiervan gebruik.
Maarten Luther stoorde zich erg aan dit gebruik, en nam er duidelijk stelling tegen. Dus hoe groter de aflaat die men kon verdienen met een bepaalde bedevaart, hoe aantrekkelijker werd het om dan daar heen te gaan of er meer¬dere aan te doen op een rondreis.
En hoe wonderbaarlijker de verhalen over genezingen, hoe meer bezoekers trok de plaats, en zouden al die verhalen juist zijn ?, of zouden plaatselijke handelaren er vele verzinnen.
Maar een bedevaart kon ook opgelegd worden als straf door zowel de kerkelijke, als de burgerlijke rechtbank in die dagen. Zo’n opgelegde bedevaart diende eigenlijk meer als verbanning, ook al omdat soms niet werd omschreven waar men heen moest gaan als wel de tijdsduur van zo’n omzwerving. Hoe ernstiger de misdaad en hoe lastiger de persoon, hoe langer de bedevaart en daarmede de verbanning.
Pelgrims reisden vroeger meestal in groepsverband, dat was niet alleen noodzakelijk voor de veiligheid, maar ook gezelliger, en kon men elkaar helpen en steunen indien dat noodzakelijk was.
Op drukke routes was het niet eens mogelijk en wenselijk om alleen te blijven, vanwege de vele pelgrims en de gevaren onderweg. Doordat pelgrims gemakkelijk te herkennen waren aan hun kleding vormden ze soms een al te gemakkelijk doelwit voor rovers, soms verkleedden rovers zich als pelgrims en voegden zich bij een groep. Een pelgrim heeft een zacht leren tas en een stevig houten wandelstok bij zich, en vanaf 1100 draagt een pelgrim ook een speciaal hemd of tuniek en een cape.
Een eeuw later hebben zij op hun hoofd bovendien een grote slappe hoed met brede rand die aan de voorkant is teruggeslagen waar men de insignes opspelde van die plaatsen waar men geweest was de z.g. pelgrimstekens.
Over land reizen was in die dagen geen pretje, behalve over¬vallen te worden, waren de zandpaden ook geen toonbeeld van luxe, vaak waren zij modderig en nauwelijks begaanbaar, en als je per voet reisde, vaak ook nog blootsvoets als een soort van boetedoening, zoals de meesten was je blij als je 30 km per dag aflegde.
Terwijl door domweg verkeerd te lopen door de nauwelijks aangege¬ven route ook niet ongewoon was, en door taalproblemen kon men ook niet zo gemakkelijk de weg vragen.
Ook voor onderweg waren de overnachtingplaatsen niet bepaald talrijk.
De boerenbevolking had het ook niet zo erg begrepen op al die zwervers, en de gasthuizen, door kloosters gesticht op verschillende plaatsen, en de herbergen waren verre van ide¬aal.
Men vertoefde vaak met meerdere personen in een bed. In sommige gevallen misschien wel wenselijk, maar het ongedierte zoals vlooien en luizen waren er ook in overvloed. En als het weer het toeliet, was een slaapplaats onder de sterrenhemel misschien nog helemaal zo gek niet.
Over zee was het ook evenmin een pretje, en een bootreis naar het heilige land, kon wel zes weken duren met veel verveling, kans op ziekten en slecht eten en drinken, alleen de rijken hadden aanzienlijk minder te lijden.
En kwamen de pelgrims dan aan op de bestemde plaats, dan was het vaak een drukte van jewelste. Vooral op feestdagen van de desbe¬treffende heilige was er soms geen doorkomen aan, verkopers proberen souvenirs, kaarsen, was, pelgrimsinsignes en gidsjes aan de man te brengen.
Tussen de bezoekende pelgrims liepen de muzikanten, bedelaars en zakkenrollers. Er was voor de bedevaartganger een heel pro¬gramma af te werken, zeker bij een opgelegde bedevaart, dik¬wijls veertien dagen bidden, waken en speciale plaatsen bezoe¬ken. In de kerken werd je verblind door de rijkdom die er soms tentoongesteld lag en soms nog ligt.
Dat het ook een zeer ver¬moeiende bezigheid kan zijn, ligt in het feit dat er spring¬processies zijn waarbij men drie sprongen voorwaarts doet en dan twee achterwaarts en zo de hele weg, of men kruipt naar de plek waar men wil zijn.
Iedere pelgrim gaf zoveel als hij of zij kon missen, of wilde missen: armen gaven veelal muntgeld, rijken gaven goud juwelen, men gaf soms ook levend vee, linnen of etenswaren.
Er was veel kritiek op de overdaad van de kerken, kijk naar al het glinsteren van het goud en de edel¬stenen, terwijl buiten de kerk de armen honger lijden en geen kleren hebben om aan te trekken. De reliekschrijnen van goud vertegenwoordigden vaak een grote waarde, en als de tijden slecht gingen in oorlog bijv. dan smolt ze men ook wel eens om tot geld.
Dat gebeurde meer met zaken van waarde, zoals vrij¬wel de gehele zilverschat bestaande uit bekers, lampetkan¬nen en kandelaars van de stad Zwolle in 1672 in een oorlog met de Bisschop van Munster (Bommen Berend).
Pelgrims namen altijd een aandenken mee van de bedevaarts¬plaats, bijvoorbeeld schelpen van het Spaanse strand (Santiago de Compostella) of een tak van een palm die bij de Jordaan groei¬de (Jeruzalem). Vanaf de 12e eeuw maakte men insignes, de z.g. pelgrimstekens die men op de omgeslagen rand van de hoed spelde. De schelp werd het teken van Santiago de Compostella, de palmtak van het Heilige Land, Jeruzalemskruis (groot kruis omringd door 4 kleine kruisen), Rome de sleutels van Petrus of het doek van Veronica (een doek met de gelaatsafdruk van Christus erop). Men beschouwde het pelgrimsteken niet zomaar als een aandenken, het werd zelf vaak een voorwerp van verering dat bescherming kon geven tegen gevaar en ziekte en men plaatste het daarom vaak boven de deur. Vaak eeuwen later komen bij archeologische opgravingen diezelfde pelgrimstekens weer te voorschijn, en kan men de conclusie trekken naar welke streek men in vroeger dagen op bedevaart ging. Zoals bij de restauratie van de Broerenkerk in Zwolle.
Zoals al eerder genoemd, was het verdienen van een aflaat een van de belangrijkste redenen om op bedevaart te gaan. Dit verdienen werd tenslotte steeds gemakkelijker gemaakt. In plaats van de hele reis te moeten maken, kon je ook aan de kerk net zoveel geld betalen als de reis gekost zou hebben, of een bedrag naar draagkracht.
Het bidden van bepaalde gebeden en het bezoeken van kerken in de eigen omgeving kon genoeg zijn. Het geven van aflaten gebeurde steeds meer in ruil voor een geldsom.
De paus van Rome, de St Pieter is er grotendeels van gebouwd, en de bisschoppen maakten hiervan gebruik of misbruik, net zoals U wilt, terwijl de Dominica¬nen bekend stonden om hun bedelpraktijken.
De kerk werd er niet geloof¬waardiger op, en de protesten tegen deze praktijken bleven niet uit en leidde tenslotte met de grootste protesteerder voorop tot de Hervormingen of Reformatie.
Maar het reizen naar bedevaartplaatsen is gebleven tot op de dag van vandaag, met plaatsen als Kevelaer, Lourdes, Banneux, Fatima, Beauraing, Czestochowa, Santiago de Compostella, Rome en Jeruzalem waarbij de laatste twee uit cultureel oogpunt uiteraard ook de moeite van een bezoek waard zijn.

Anton G.M.Heijmerikx
Schwetenkamp 5
49762 Lathen Duitsland

Colofoon
Unverwechselbar Kevelaer
Lourdes nationale bedevaart
Kevelaer notizen zur Wallfahrt
Lourdes stad van de H.Maagd
Standaard encyclopedie

Geef een reactie